ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6693
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens gezamenlijke huishouding met hoofdbewoner
Verzoekster vroeg bijstand aan per 1 oktober 2012 na beëindiging van haar geregistreerd partnerschap. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees de aanvraag af omdat verzoekster een gezamenlijke huishouding voerde met de hoofdbewoner van de woning, haar oom. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep betoogde verzoekster dat zij tot 1 november 2012 een gezamenlijke huishouding voerde met haar ex-partner, die nog hoofdverblijf had in de woning, waardoor zij geen gezamenlijke huishouding met de hoofdbewoner kon voeren. De voorzieningenrechter oordeelde dat het onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding met de hoofdbewoner geldt vanaf 1 november 2012, omdat de ex-partner op die datum geen hoofdverblijf meer had.
De voorzieningenrechter stelde vast dat verzoekster en de hoofdbewoner op 1 november 2012 hoofdverblijf hadden in dezelfde woning en dat er sprake was van wederzijdse zorg, zoals gezamenlijke huishoudelijke taken, gezamenlijke kosten en verzorging bij ziekte. Een korte afwezigheid van de hoofdbewoner wegens vakantie deed hieraan niet af. Daarom was sprake van een gezamenlijke huishouding volgens artikel 3, derde lid, WWB.
De voorzieningenrechter bevestigde het bestreden besluit en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. De bijstand kon niet worden toegekend naar de norm voor een alleenstaande zolang de gezamenlijke huishouding met de hoofdbewoner bestond.
De uitspraak werd gedaan door J.F. Bandringa op 9 april 2013, waarna partijen binnen zes weken beroep in cassatie kunnen instellen bij de Hoge Raad.
Uitkomst: De aanvraag bijstand wordt afgewezen omdat verzoekster op 1 november 2012 een gezamenlijke huishouding voerde met de hoofdbewoner.