ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6939
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K. Zeilemaker
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontslag tijdens proeftijd wegens onvoldoende functioneren financieel management adviseur
Appellante werd per 1 augustus 2009 tijdelijk aangesteld als financieel management adviseur met een proeftijd van maximaal twee jaar. Vanaf enkele weken na aanvang ontstonden er klachten over haar functioneren, met name over haar communicatie en het niet nakomen van werkafspraken. Gedurende de periode september 2009 tot maart 2010 vonden meerdere gesprekken plaats waarin deze tekortkomingen werden besproken.
De minister besloot appellante te ontslaan op grond van artikel 95, tweede lid, onder b, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, omdat zij niet voldeed aan de redelijkerwijs te stellen eisen en verwachtingen en ook niet binnen afzienbare tijd zou kunnen verbeteren. Appellante voerde aan dat haar geen reële kans was geboden zich te bewijzen, maar de Raad oordeelde dat zij voldoende tijd en gelegenheid had gekregen.
De Raad stelde vast dat de toetsing van ontslag tijdens de proeftijd terughoudend is en zich beperkt tot de vraag of het bestuursorgaan redelijkerwijs tot het ontslag kon besluiten. Gezien de regelmatige gesprekken, de aanhoudende klachten en het niet nakomen van afspraken door appellante, was er geen aanleiding om aan het oordeel van de minister te twijfelen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het ontslag tijdens de proeftijd bevestigd.