ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6978
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herhaalde aanvraag WUV-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellante heeft in 2008 een aanvraag ingediend voor een periodieke uitkering krachtens de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv), welke is afgewezen omdat zij niet als vervolgde werd aangemerkt. Na bezwaar is dit besluit gehandhaafd, ondanks dat het overlijden van haar vader als gevolg van vervolging werd erkend. In 2011 diende appellante een hernieuwde aanvraag in, die eveneens werd afgewezen en gehandhaafd bij het bestreden besluit.
De Raad overweegt dat de herhaalde aanvraag moet worden gezien als een verzoek tot herziening van het eerdere besluit op grond van artikel 61, tweede lid, Wuv. De toetsing aan dit discretionaire herzieningsrecht is terughoudend: alleen nieuwe feiten of omstandigheden die bij het eerdere besluit niet bekend waren en dat besluit in een nieuw licht plaatsen, kunnen tot herziening leiden.
Appellante bracht geen nieuwe feiten naar voren; haar oorlogservaringen en medische klachten waren reeds bekend en beoordeeld. Medisch onderzoek toonde geen verband tussen haar klachten en de vervolging van haar vader. De Raad concludeert dat het bestreden besluit terecht is gehandhaafd en verklaart het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de herhaalde WUV-aanvraag wordt ongegrond verklaard.