ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6978

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 april 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
12/5274 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 61 Wuv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herhaalde aanvraag WUV-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten

Appellante heeft in 2008 een aanvraag ingediend voor een periodieke uitkering krachtens de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv), welke is afgewezen omdat zij niet als vervolgde werd aangemerkt. Na bezwaar is dit besluit gehandhaafd, ondanks dat het overlijden van haar vader als gevolg van vervolging werd erkend. In 2011 diende appellante een hernieuwde aanvraag in, die eveneens werd afgewezen en gehandhaafd bij het bestreden besluit.

De Raad overweegt dat de herhaalde aanvraag moet worden gezien als een verzoek tot herziening van het eerdere besluit op grond van artikel 61, tweede lid, Wuv. De toetsing aan dit discretionaire herzieningsrecht is terughoudend: alleen nieuwe feiten of omstandigheden die bij het eerdere besluit niet bekend waren en dat besluit in een nieuw licht plaatsen, kunnen tot herziening leiden.

Appellante bracht geen nieuwe feiten naar voren; haar oorlogservaringen en medische klachten waren reeds bekend en beoordeeld. Medisch onderzoek toonde geen verband tussen haar klachten en de vervolging van haar vader. De Raad concludeert dat het bestreden besluit terecht is gehandhaafd en verklaart het beroep ongegrond.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de herhaalde WUV-aanvraag wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

12/5274 WUV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen:
Partijen:
[appellante] te Indonesië (appellante)
de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)
PROCESVERLOOP
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 3 juli 2012, kenmerk BZ01442964 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2013. Appellante is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door
A.T.M. Vroom-van Berckel.
OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante heeft in 2008 een aanvraag ingediend om een periodieke uitkering en voorzieningen krachtens de Wuv. Bij besluit van 7 september 2009 is deze aanvraag afgewezen op de grond dat appellante niet kan worden aangemerkt als vervolgde in de zin van de wet. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. In de bezwaarfase is verweerder tot de conclusie gekomen dat het overlijden van de vader van appellante het gevolg was van vervolging. Verweerder heeft daarom onderzocht of appellante met een vervolgde gelijk kan worden gesteld. Uitkomst van dat onderzoek was dat de medische klachten van appellante, bestaande uit psychische klachten en duizeligheid, niet met het overlijden van haar vader in verband kunnen worden gebracht. Het bezwaar is vervolgens, op 12 oktober 2010, ongegrond verklaard. Appellante heeft tegen dit besluit geen beroep ingesteld.
1.2. Op 20 juli 2011 heeft appellante een hernieuwde aanvraag om een periodieke uitkering krachtens de Wuv ingediend. Op 22 november 2011 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Dit besluit is bij het bestreden besluit gehandhaafd.
2. De Raad overweegt het volgende.
2.1. Op grond van artikel 61, tweede lid, van de Wuv is verweerder bevoegd op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door hem gegeven beschikking in het voordeel van de bij die beschikking betrokkene te herzien. Verweerder heeft de herhaalde aanvraag van appellante terecht als een verzoek om toepassing van deze bepaling opgevat, nu daarmee is beoogd dat verweerder het eerder ingenomen standpunt inzake erkenning als, dan wel gelijkstelling met een vervolgde in het voordeel van appellante zou wijzigen.
2.2. Gelet op het karakter van de discretionaire bevoegdheid, geregeld in bovengenoemde bepaling, kan de Raad het bestreden besluit slechts met terughoudendheid toetsen. Daarbij staat centraal of appellante feiten of omstandigheden heeft ingebracht die aan verweerder bij het nemen van het eerdere besluit niet bekend waren en die dat besluit in een zodanig nieuw licht plaatsen dat verweerder daarin aanleiding had moeten vinden om tot herziening over te gaan.
2.3. De door appellante beschreven oorlogservaringen zijn door haar ook bij haar eerdere aanvraag al naar voren gebracht. Verweerder heeft daaromtrent geconcludeerd dat, hoe zeer ook geldt dat appellante en haar familie in de oorlogsjaren in erbarmelijke omstandigheden hebben verkeerd, van vrijheidsberoving in de zin van de Wuv niet is gebleken. Evenmin kan gesproken worden van onderduik om aan zodanige vrijheidsberoving te ontkomen. Appellantes herhaalde verzoek werpt geen nieuw licht op deze conclusies van verweerder. Wat betreft de erkenning als vervolgde kan dus niet worden gezegd dat verweerder ten onrechte bij zijn eerdere standpunt is gebleven.
2.4. Appellante heeft bij haar herhaalde aanvraag melding gemaakt van nog niet eerder beoordeelde medische klachten, zoals rug-, hart- en visusklachten. Uit het ter zake verrichte medisch onderzoek komt naar voren dat deze klachten evenmin als de eerder beoordeelde klachten zijn toe te schrijven aan het omkomen van de vader van appellante. Deze bevindingen zijn in bezwaar bevestigd. In hetgeen door appellante is aangevoerd is geen grond gelegen deze medische bevindingen in twijfel te trekken. Dat enkele van de broers en zusters van appellante met een vervolgde gelijk zijn gesteld, kan aan de bedoelde bevindingen niet afdoen, nu, naar door verweerder terecht is benadrukt, de medische causaliteitsbeoordeling een individuele beoordeling is waarvan de uitkomst per gezinslid kan verschillen. Dat betekent dat het bestreden besluit ook op het punt van de gelijkstelling met een vervolgde de onder 2.2 bedoelde terughoudende toetsing kan doorstaan.
2.5. Het voorgaande betekent dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 april 2013.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) P.J.M. Crombach
HD