ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7324
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV om hem geen WIA-uitkering toe te kennen omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. De rechtbank heeft geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd en dat de medische stukken van diverse specialisten zijn betrokken bij de beoordeling.
De rechtbank oordeelde dat ondanks het vervallen van de functie productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie er voldoende andere functies resteren die passen bij de belastbaarheid van appellant. De bezwaararbeidsdeskundige heeft per functie gemotiveerd waarom deze passend zijn, wat door de rechtbank als overtuigend werd beschouwd.
Appellant voerde aan dat zijn lichamelijke en psychische beperkingen zijn onderschat en dat ook de resterende functies zijn belastbaarheid overschrijden. De Raad overweegt dat appellant geen nieuwe medische gronden heeft aangevoerd en dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.