ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7331

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 april 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
11-6435 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:2 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging ziekengeld na zorgvuldig medisch onderzoek bevestigd

Appellant, werkzaam als schoonmaker, meldde zich ziek op 6 oktober 2008 wegens rug- en beenklachten en slaapproblemen. Het UWV beëindigde op 30 juni 2010 zijn ziekengeld per 14 juli 2010 na medisch onderzoek door verzekeringsartsen die appellant geschikt achtten voor arbeid. Appellant maakte bezwaar, dat werd afgewezen.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit vanwege schending van de hoorplicht, maar handhaafde de rechtsgevolgen omdat het medisch onderzoek zorgvuldig en volledig was en appellant geen aanvullende medische gegevens overlegde. Appellant stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte geen aanvullende informatie van PsyQ nodig achtte en dat zijn medische klachten hem verhinderen te werken.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, waarbij zowel lichamelijk als psychisch onderzoek plaatsvond en informatie van de behandelend zenuwarts werd meegewogen. De bezwaarverzekeringsarts vond geen beperkingen die arbeid belemmeren. Omdat appellant geen nieuwe medische gegevens aanvoerde, bevestigt de Raad het besluit tot beëindiging van het ziekengeld per 14 juli 2010.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit tot beëindiging van het ziekengeld per 14 juli 2010 wordt bevestigd.

Uitspraak

11/6435 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
22 september 2011, 10/3051 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak 17 april 2013.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr.drs. J.E. Groenenberg, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting op 6 maart 2013, waar partijen
- met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.
OVERWEGINGEN
1. Appellant, laatstelijk op uitzendbasis in twee banen voor in totaal 61.5 uur per week werkzaam als schoonmaker, heeft zich op 6 oktober 2008 ziek gemeld wegens rug- en beenklachten en slaapproblemen. Appellant is in dat verband meerdere keren gezien op het spreekuur van de verzekeringsarts, voor het laatst op 30 juni 2010. De verzekeringsarts heeft appellant, na eigen onderzoek en verkregen informatie van de behandelend sector, weer geschikt geacht tot het verrichten van zijn arbeid. Bij besluit van 30 juni 2010 heeft het Uwv de uitkering van appellant op grond van de Ziektewet (ZW) beëindigd per 14 juli 2010. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 28 september 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant - in navolging van de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts neergelegd in de rapportage van 28 september 2010 - ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat bij de voorbereiding van het bestreden besluit de hoorplicht, zoals is voorgeschreven in artikel 7:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geschonden is en dat om die reden het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de medische beoordeling volledig is geweest en zorgvuldig tot stand gekomen is en dat de bezwaarverzekeringsarts zich een adequaat beeld heeft kunnen vormen van de in de door appellant verrichtte schoonmaakwerkzaamheden. De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid van de door de bezwaarverzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid en het door deze arts ingenomen standpunt dat appellant per 14 juli 2010 weer in staat is tot het verrichten van zijn arbeid. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat zij, gelet op het vorenstaande, aanleiding heeft gezien de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.
3. Appellant kan zich met de uitspraak van de rechtbank niet verenigen. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat aanvullende informatie van PsyQ niet noodzakelijk zou zijn. De overweging van de rechtbank, dat bij appellant sprake zou zijn van een milde/lichte depressie welke niet aan het werken als schoonmaker in de weg zou staan, is onjuist. Appellant is van mening dat hij vanwege zijn medische klachten niet in staat is om zijn arbeid te verrichten.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1 Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Het ten aanzien van appellant verrichte medisch onderzoek is voldoende zorgvuldig geweest. Daarbij is van belang dat de verzekeringsarts appellant zowel lichamelijk als psychisch heeft onderzocht en inlichtingen heeft ingewonnen en verkregen van de behandelend zenuwarts H. Loen. De inlichtingen van deze zenuwarts zijn door de verzekeringsarts bij de beoordeling van appellants belastbaarheid meegewogen. De bezwaarverzekeringsarts heeft dossierstudie verricht, appellant op de hoorzitting gezien en hem aansluitend lichamelijk onderzocht. Deze arts kon bij onderzoek geen belangwekkende bewegingsbeperkingen vinden en heeft vervolgens de conclusie van de verzekeringsarts onderschreven dat er geen medische beperkingen zijn te duiden die appellant zouden verhinderen zijn werk te verrichten. In beroep heeft de bezwaarverzekeringsarts in haar rapport van 24 maart 2011 tot slot nader gemotiveerd waarom geen aanleiding bestaat om appellant vanwege zijn rugklachten en psychische klachten beperkt te achten ten aanzien van het verrichten van zijn arbeid.
4.2. Nu door appellant geen nadere medische gegevens zijn overgelegd, waaruit blijkt dat hij op de datum in geding meer beperkt was dan door de artsen van het Uwv is aangenomen, is er geen aanleiding appellant in zijn standpunt te volgen.
4.3. Hetgeen onder 4.1 en 4.2 is overwogen leidt tot het oordeel dat het Uwv op juiste gronden het ziekengeld van appellant met ingang van 14 juli 2010 heeft beëindigd. Het hoger beroep van appellant slaagt niet en de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
5. De Raad acht geen gronden aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 april 2013.
(getekend) Ch. van Voorst
(getekend) H.J. Dekker
JL