ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7338

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 april 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
11-2442 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens afgenomen arbeidsongeschiktheid

Appellante had een WAO-uitkering die door het UWV op 4 januari 2010 werd ingetrokken met ingang van 5 maart 2010, omdat haar arbeidsongeschiktheid was afgenomen tot minder dan 15%. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het UWV verklaarde dit bezwaar ongegrond. De rechtbank Roermond bevestigde dit besluit en hechtte daarbij grote waarde aan de rapporten van de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts.

De verzekeringsarts had appellante op 8 september 2009 onderzocht en met name aandacht besteed aan haar psychische gesteldheid. In zijn rapport van 29 december 2009 concludeerde hij dat de brief van de huisarts van 31 oktober 2009 geen aanleiding gaf om meer beperkingen aan te nemen. De bezwaarverzekeringsarts bevestigde dit oordeel en hield rekening met de psychische klachten in de Functionele Mogelijkheden Lijst.

De rechtbank stelde vast dat appellante met de vastgestelde beperkingen in staat was om de voor haar beschikbare functies te vervullen. De Centrale Raad van Beroep onderschreef deze bevindingen en verwierp het hoger beroep van appellante. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering wegens afgenomen arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

11/2442 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 21 maart 2011, 10/608 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 17 april 2013
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. Z.M. Alaca, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2013.
Namens appellante is verschenen mr. Alaca. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.H.G. Boele.
OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 4 januari 2010 heeft het Uwv de aan appellante toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 5 maart 2010 ingetrokken, omdat haar arbeidsongeschiktheid met ingang van die datum was afgenomen naar minder dan 15%.
2. Bij besluit van 10 mei 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 4 januari 2010 ongegrond verklaard.
3. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij beslissende betekenis toegekend aan de door de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts uitgebrachte rapporten. De rechtbank was van oordeel dat de verzekeringsgeneeskundige advisering die ten grondslag lag aan het bestreden besluit, in overeenstemming was met de eisen van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten en de overigens daaraan te stellen zorgvuldigheidsvereisten. Daarbij is overwogen dat door de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts uitgebreid is ingegaan op de van de huisarts verkregen informatie en uit de Functionele Mogelijkheden Lijst kan worden opgemaakt dat hierin rekening is gehouden met de beperkingen van appellante van psychische aard.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Hetgeen appellante heeft aangevoerd is geen reden om van het oordeel van de rechtbank, neergelegd in de aangevallen uitspraak, af te wijken en de aan dat oordeel ten grondslag gelegde overwegingen niet te onderschrijven. De verzekeringsarts P.J. Janssen, die blijkens zijn rapport van 20 oktober 2009 appellante op 8 september 2009 op het spreekuur heeft gezien en daar vooral aandacht heeft besteed aan de psychische gesteldheid van appellante, heeft in zijn rapport van 29 december 2009 voldoende overtuigend beargumenteerd dat de inhoud van de brief van de huisarts van 31 oktober 2009 geen reden vormt om meer beperkingen aan te nemen. Zoals de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 23 april 2010 heeft uiteengezet is in de Functionele Mogelijkheden Lijst rekening gehouden met de psychische klachten van appellante door beperkingen aan te nemen in de rubriek persoonlijk en sociaal functioneren. Hetgeen appellante heeft aangevoerd vormt dan ook geen reden om aan te nemen dat de psychische klachten van appellante door de (bezwaar)verzekeringsarts zijn onderschat.
4.2. De rechtbank heeft verder terecht vastgesteld dat appellante met inachtneming van de aldus vastgestelde beperkingen in staat moet worden geacht de haar voorgehouden functies te vervullen.
4.3. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 april 2013.
(getekend) Ch. van Voorst
(getekend) H.J. Dekker