ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7458
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Weigering bijzondere bijstand voor brillenkosten dochter op grond van aanvullende verzekering
Appellante, een alleenstaande ouder met een arbeidsongeschiktheidsuitkering en enige inkomsten uit arbeid, vroeg bijzondere bijstand aan voor de kosten van een bril voor haar minderjarige dochter. Zij ontving een vergoeding van € 200,- uit haar aanvullende ziektekostenverzekering bij OHRA, terwijl de totale kosten € 425,- bedroegen. Het college van burgemeester en wethouders van Rheden wees de aanvraag af omdat gemeentelijk beleid geen aanvullende bijstand verleent als reeds een maximale vergoeding uit een aanvullende verzekering is ontvangen.
De rechtbank Arnhem verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond, stellende dat op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) geen aanvullende bijstand kan worden verstrekt voor kosten die reeds via een andere voorziening worden vergoed. Appellante voerde in hoger beroep aan dat er sprake was van dringende redenen, maar kon dit niet onderbouwen met medische gegevens.
De Raad bevestigde dat het gemeentelijk beleid, dat een maximale vergoeding van € 200,- per twee jaar toestaat en vergoedingen uit aanvullende verzekeringen in mindering brengt, buitenwettelijk begunstigend beleid is dat consistent moet worden toegepast. Omdat appellante reeds een vergoeding van € 200,- ontving, was er geen ruimte voor aanvullende bijstand. De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde de eerdere uitspraak.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van bijzondere bijstand voor brillenkosten vanwege reeds ontvangen vergoeding uit aanvullende verzekering.