ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8063

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 april 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
11-2726 Wajong
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling begeleiding en arbeidsongeschiktheid bij weigering Wajong-uitkering

Appellante heeft bij het UWV een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering, die is geweigerd omdat zij niet 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt was en in staat werd geacht gangbare arbeid te verrichten. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd vastgesteld dat de bezwaarverzekeringsarts voldoende beperkingen had aangenomen in de aangepaste Functionele Mogelijkheden Lijst (FML), met name op het aspect begeleiding.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met haar beperkingen, vooral wat betreft begeleiding, en dat functies ten onrechte passend zijn bevonden. De Raad heeft overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts een passende begeleidingsvorm heeft voorgesteld, namelijk begeleiding door een jobcoach met kennis van het autistisch spectrum, gevolgd door begeleiding door een leidinggevende. Intensieve, permanente begeleiding is niet noodzakelijk gebleken.

De Raad heeft de rapportages van de psychologe en de bezwaarverzekeringsarts betrokken en geoordeeld dat de behoefte aan begeleiding niet objectief is aangetoond in die mate dat het UWV onjuiste beperkingen heeft vastgesteld. Appellante heeft bovendien een academische opleiding afgerond, wat haar functioneren ondersteunt.

Daarom is het hoger beroep ongegrond verklaard en is de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de Wajong-uitkering bevestigd.

Uitspraak

11/2726 Wajong
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 30 maart 2011, 09/1184 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 19 april 2013
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. S.T. Dieters, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 maart 2013. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.I. Damsma.
OVERWEGINGEN
1.1. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), zoals die luidden tot 1 januari 2010.
1.2. Appellante, geboren [in] 1982, heeft op 19 december 2008 bij het Uwv een aanvraag ingediend om haar in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wajong.
1.3. Na verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 10 maart 2009 geweigerd appellante in aanmerking te laten komen voor een Wajong-uitkering. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat appellante vanaf haar 17e verjaardag geen 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest en in staat wordt geacht gangbare arbeid te verrichten waarmee zij tenminste het minimumloon kan verdienen.
1.4. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard bij beslissing op bezwaar van 11 november 2009 (bestreden besluit). Daarbij heeft het Uwv vermeld dat appellante aan het eind van de wachttijd minder dan 25% arbeidsongeschikt was.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen reden gezien om te twijfelen aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid. Ten aanzien van de stelling van appellante dat te weinig rekening is gehouden met haar beperkingen heeft de rechtbank onder meer vastgesteld dat de bezwaarverzekeringsarts G.J. Dreijer in de aangepaste Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 15 juli 2010 appellante zorgvuldigheidshalve alsnog beperkt heeft geacht op het aspect 1.9.3 (begeleiding). Dreijer heeft gezien de uitgebrachte rapportages gemotiveerd en op inzichtelijke wijze toegelicht dat er inhoudelijk geen aanleiding is voor (andere) wijzigingen. De bezwaarverzekeringsarts heeft in haar rapportage de medische stukken alsmede de rapportage van het Autismeteam Noord Nederland (ANN) van 19 januari 2009 kenbaar bij haar oordeelsvorming betrokken. Voorts heeft de rechtbank vastgesteld dat Dreijer in haar rapportage van 29 oktober 2009, wat betreft de vraag of een urenbeperking voor appellante is geïndiceerd, op gemotiveerde wijze heeft gesteld dat er geen reden is om voor appellante een urenbeperking aan te nemen en deze motivering onderschreven. Wat betreft de arbeidskundige grondslag is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de door de bezwaararbeidsdeskundige Langebeeke in diens rapportages van 10 november 2009 en van 19 juli 2010 verstrekte toelichting bij de signaleringen in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies toereikend is, zodat daarmee de geschiktheid van appellante voor de haar voorgehouden functies voldoende inzichtelijk is gemaakt. De stelling van appellante dat zij zonder intensieve begeleiding niet in staat is om te werken, vindt naar het oordeel van de rechtbank geen steun in de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige noch in de overige stukken van het geding. Van een namens appellante gestelde onaanvaardbare relativering is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake, nu de specifieke omstandigheden waaronder de functies worden vervuld al tot uitdrukking zijn gebracht in de functieomschrijvingen.
3. In hoger beroep heeft appellante haar standpunt herhaald dat bij de beoordeling van haar arbeidsgeschiktheid onvoldoende rekening is gehouden met haar beperkingen, met name ten aanzien van het aspect begeleiding, met als gevolg dat functies ten onrechte passend worden bevonden. Met verwijzing naar uitspraken van de Raad van 19 september 2006 (LJN AY8542) en van 14 april 2010 (LJN BM1292) meent appellante dat haar ten onrechte een
Wajong-uitkering wordt onthouden.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1. Gelet op hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd beperkt de beoordeling zich thans tot de vraag of de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat in de aangepaste FML van 15 juli 2010 voldoende beperkingen zijn aangenomen in verband met het aspect begeleiding en dat voorts de bezwaarverzekeringsarts afdoende gemotiveerd heeft waarom de door haar voorgestelde begeleidingsvorm (eerst door een jobcoach die kennis van zaken heeft in het autistisch spectrum en na verloop van tijd door de leidinggevende) passend is voor appellante.
4.2. In de in beroep ingebrachte rapportage van de psychologe J. Hardenbol van 18 maart 2010/12 april 2010 is gesteld dat appellante om goed te kunnen functioneren idealiter tijdens de inwerkperiode begeleiding nodig heeft door een jobcoach en dat na verloop van tijd de leidinggevende de begeleiding over neemt. Appellante heeft behoefte aan sturing bij de aanpak van haar werkzaamheden omdat zij vaak moeite heeft om zelf prioriteiten te stellen bij de diverse taken. De bezwaarverzekeringsarts Dreijer heeft in haar reactie van 26 april 2010 op voorgenoemde rapportage vastgesteld dat de door Hardenbol beschreven klachten en ervaren belemmeringen overeen komen met haar bevindingen. Reeds eerder heeft de bezwaarverzekeringsarts in haar beschouwing in de rapportage van 29 oktober 2009 benadrukt dat appellante zeker in het begin gebaat is bij een goede begeleiding door bijvoorbeeld een gespecialiseerde jobcoach. Intensieve begeleiding, in die zin dat er permanent iemand aanwezig is die appellante aanstuurt, is naar haar oordeel niet noodzakelijk, omdat uit het dagelijks functioneren van appellante blijkt dat permanente aansturing en begeleiding niet aan de orde is. Zorgvuldigheidshalve heeft zij in de aangepaste FML van 15 juli 2010 alsnog de hiervoor omschreven benodigde begeleiding aangegeven. Derhalve kan het oordeel van de rechtbank worden onderschreven dat uit de door appellante ingezonden medische stukken de door haar gestelde behoefte aan begeleiding niet objectiveerbaar is aangetoond. Op grond hiervan kan niet worden geoordeeld dat het Uwv is uitgegaan van te lichte of onjuiste beperkingen bij appellante, zodat op basis van de op 15 juli 2010 vastgestelde FML functies geduid konden worden.
4.3. Appellante is in staat gebleken tot het afronden van een academische opleiding. Zij heeft geen feiten aangevoerd die aannemelijk kunnen maken dat haar situatie te vergelijken is met die van betrokkenen waarbij sprake was van uiterst beperkte intellectuele capaciteiten, zoals aan de orde was in bijvoorbeeld het geschil, dat is beslecht in de overweging 3 vermelde uitspraak van 19 september 2006, dan wel dat zij behoefte zou hebben aan een permanente vaste begeleider als bedoeld in de aldaar vermelde uitspraak van 14 april 2010.
5. Uit hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 april 2013.
(getekend) J.W. Schuttel
(getekend) J.R. Baas
QH