ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8743

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 april 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
11-4293 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:6 Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente MaastrichtWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ontslag wegens onvoldoende functioneren ondanks verbetertraject

Appellante was werkzaam bij de gemeente Maastricht en had vanaf 2000 wegens ziekte geen werkzaamheden verricht. Vanaf 2006 hervatte zij haar werkzaamheden volgens een opbouwschema. In 2009 zijn drie beoordelingen van haar functioneren vastgesteld, die allen onvoldoende of enigszins onvoldoende waren. Na bezwaar bleven deze beoordelingen gehandhaafd en werden de daarop gerichte beroepen door de rechtbank ongegrond verklaard.

Het college verleende appellante ontslag per 11 januari 2010 op grond van artikel 8:6 van Pro de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Maastricht, met een re-integratiefase tot uiterlijk 12 januari 2011. Appellante maakte bezwaar tegen het ontslagbesluit en het re-integratieplan, maar deze bezwaren werden ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen het ontslagbesluit ongegrond, maar oordeelde ook over het re-integratieplan terwijl dat niet binnen het geschil viel.

De Centrale Raad van Beroep vernietigt daarom het deel van de uitspraak dat betrekking heeft op het re-integratieplan, maar bevestigt het ontslagbesluit. De Raad stelt vast dat het functioneren van appellante niet op het vereiste niveau was, ondanks een verbetertraject. Appellante erkent dat haar spanningsklachten vooral het gevolg zijn van het ontslag en de nasleep daarvan, waardoor een toetsing aan ziekte als belemmering voor ontslag niet aan de orde is.

De Raad concludeert dat het college bevoegd was het ontslag te verlenen en dat appellante geen omstandigheden heeft genoemd die het college zouden hebben verhinderd om redelijkerwijs van die bevoegdheid gebruik te maken. Het griffierecht wordt aan appellante vergoed.

Uitkomst: Het ontslag van appellante wordt bevestigd en het deel van de uitspraak over het re-integratieplan vernietigd.

Uitspraak

11/4293 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 15 juni 2011, 10/1356 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (college)
Datum uitspraak: 25 april 2013
PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Gelet op een daartoe strekkend verzoek van appellante heeft de Raad met toestemming van partijen een onderzoek ter zitting achterwege gelaten en het onderzoek gesloten.
OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante was werkzaam bij de gemeente Maastricht in de functie van [naam functie]. In 2000 is zij wegens ziekte uitgevallen. In de jaren nadien heeft zij geen werkzaamheden verricht. In 2005 is het college, nadat de bedrijfsarts te kennen had gegeven daarvoor geen medische belemmeringen te zien, met appellante in overleg getreden over werkhervatting. Met ingang van 8 mei 2006 heeft appellante haar werkzaamheden in een opbouwend schema hervat.
1.2. Op 5 februari 2009, 7 april 2009 en 17 september 2009 zijn beoordelingen vastgesteld van het functioneren van appellante in, respectievelijk, de perioden april 2007 tot juni 2008, juni 2008 tot december 2008 en december 2008 tot juni 2009. Het eindoordeel van deze beoordelingen luidde, achtereenvolgens, onvoldoende, enigszins onvoldoende, en, opnieuw, enigszins onvoldoende. De beoordelingen zijn na bezwaar gehandhaafd. De daartegen gerichte beroepen van appellante zijn bij uitspraken van de rechtbank van 15 juni 2011, 10/403, 10/402 en 10/1355, ongegrond verklaard. Appellante heeft tegen deze uitspraken geen hoger beroep ingesteld.
1.3. Na het voornemen daartoe bekend te hebben gemaakt en appellante de gelegenheid te hebben geboden haar zienswijze daarover kenbaar te maken, heeft het college appellante bij besluit van 11 januari 2010, ingaande uiterlijk 12 januari 2011, ontslag verleend op grond van artikel 8:6 van Pro de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Maastricht. De periode tot uiterlijk 12 januari 2011 is daarbij aangemerkt als re-integratiefase. Appellante heeft tegen het ontslagbesluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 11 maart 2010 is een re-integratieplan vastgesteld. Appellante heeft ook daartegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 29 juli 2010 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 11 januari 2010 en 11 maart 2010 ongegrond verklaard.
1.4. Appellante is gedurende de re-integratiefase wegens ziekte uitgevallen. Met ingang van 5 juni 2012 is haar een uitkering toegekend op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. De Raad overweegt het volgende.
3.1. De rechtbank heeft zich in de aangevallen uitspraak zowel op het punt van het ontslag als op het punt van het re-integratieplan over het bestreden besluit uitgelaten. Naar door appellante terecht is aangevoerd, was het beroep echter beperkt tot het ontslag. Het aan de rechtbank gerichte beroepschrift bevat immers meerdere uitdrukkelijke verwijzingen naar het ontslagbesluit, terwijl daarin over het re-integratieplan met geen woord wordt gerept. Door zich mede over dat re-integratieplan uit te spreken, is de rechtbank dus buiten de grenzen van het geschil getreden. De aangevallen uitspraak moet daarom worden vernietigd voor zover deze op (de handhaving van) het re-integratieplan betrekking heeft.
4. Wat betreft het ontslag heeft appellante in hoger beroep eerst en vooral verwezen naar hetgeen zij in beroep had aangevoerd. Het bij de rechtbank ingediende beroepschrift verwijst op zijn beurt naar de in bezwaar aangevoerde gronden. Een belangrijke factor binnen die destijds aangedragen gronden was het gegeven dat de onder 1.2 genoemde beoordelingen nog niet rechtens onaantastbaar waren geworden. Thans staan die beoordelingen wel in rechte vast. Hetgeen daarin is vastgelegd kan dus geen onderwerp van geschil meer vormen. Vastgesteld wordt dat het functioneren van appellante in geen van die beoordelingen als voldoende is gekenschetst, dat naar aanleiding van de eerste beoordeling een verbetertraject is aangekondigd en dat bij de twee volgende beoordelingen is geconstateerd dat dit traject het functioneren van appellante niet op het vereiste niveau heeft gebracht. Een en ander kan op zichzelf beschouwd het ontslag op de gehanteerde grondslag dragen. De in bezwaar en beroep aangedragen gronden, waarnaar appellante als gezegd thans verwijst, kunnen dus geen doel treffen.
4.1. De conclusie van de rechtbank dat er aan de door het college geconstateerde functieongeschiktheid geen medische oorzaak ten grondslag heeft gelegen, is door appellante niet aangevochten, maar wordt kennelijk juist door haar onderschreven. Blijkens hetgeen zij heeft aangevoerd ziet zij de oorzaak voor haar huidige spanningsklachten met name gelegen in haar ontslag en de nasleep daarvan. Voor een toetsing of eventuele ziekte aan een ontslag op de gebruikte grondslag in de weg stond, is daarmee geen plaats.
4.2. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het college de bevoegdheid toekwam om tot het verleende ontslag over te gaan. Omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat het college niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken, zijn door appellante niet genoemd. De aangevallen uitspraak komt dus voor bevestiging in aanmerking voor zover deze betrekking heeft op het gehandhaafde ontslagbesluit.
5. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is de Raad niet gebleken.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op de handhaving van
het re-integratieplan;
- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
- bepaalt dat het college aan appellante het door haar in hoger beroep betaalde griffierecht ten
bedrage van € 227,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en H.A.A.G. Vermeulen als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 april 2013.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) M.R. Schuurman
HD