ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8762
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- F.J.L. Pennings
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugvordering WAO-uitkering wegens inkomsten en toepassing artikel 44 WAO
Betrokkene was sinds 2003 WAO-uitkeringsgerechtigd na uitval door een hersenbloeding. Vanaf 2005 hervatte zij gedeeltelijk haar werkzaamheden, wat leidde tot herzieningen van haar arbeidsongeschiktheidspercentage en uitkeringsbedragen. Het UWV paste artikel 44 WAO Pro toe en verlaagde haar uitkering met terugwerkende kracht vanwege inkomsten uit arbeid, en vorderde onverschuldigde bedragen terug via de werkgever.
De rechtbank had het beroep van betrokkene gegrond verklaard omdat zij niet redelijkerwijs kon weten dat zij te veel uitkering ontving, mede doordat de uitkering via de werkgever werd betaald en het totaalbedrag van loon en uitkering niet wezenlijk afweek van haar eerdere salaris.
De Centrale Raad van Beroep stelde echter vast dat betrokkene haar werkzaamheden en inkomsten aan het UWV had gemeld en dat zij vanaf september 2005 haar uren uitbreidde, waardoor zij redelijkerwijs kon begrijpen dat dit gevolgen had voor haar uitkering. De Raad oordeelde dat het UWV het buitenwettelijke begunstigend beleid consistent had toegepast en vernietigde het vonnis van de rechtbank, waardoor het beroep ongegrond werd verklaard.
De Raad benadrukte dat het wenselijk is dat werkgevers en werknemers periodiek specificaties ontvangen om hun positie ten opzichte van artikel 44 WAO Pro te kunnen bepalen. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van de WAO-uitkering met toepassing van artikel 44 WAO wordt bevestigd.