ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8765

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 april 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
11-5614 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • T. Hoogenboom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging buiten behandeling stelling WAO-aanvraag wegens niet overleggen noodzakelijke gegevens

Appellant diende op 12 mei 2010 een aanvraag in bij het UWV voor een WAO-uitkering. Het UWV stelde de aanvraag bij besluit van 2 september 2010 buiten behandeling omdat appellant niet had gereageerd op een brief van 15 juli 2010 waarin werd verzocht om onder meer zijn sofinummer, de datum van de eerste ziektedag en relevante stukken over zijn arbeidsverleden en ziekte te overleggen.

Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het bezwaar werd op 24 januari 2011 ongegrond verklaard. De rechtbank Amsterdam bevestigde deze beslissing in een uitspraak van 23 augustus 2011. Appellant stelde vervolgens hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep.

De Raad oordeelde dat de rechtbank terecht had vastgesteld dat de gevraagde gegevens noodzakelijk waren voor de beoordeling van de aanvraag en dat het besluit van het UWV om de aanvraag buiten behandeling te stellen rechtmatig was. Appellant had niet betwist dat de gegevens noodzakelijk waren, noch dat hij deze niet had verstrekt of onvoldoende gelegenheid had gehad dit te doen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit van het UWV om de WAO-aanvraag buiten behandeling te stellen wegens het niet verstrekken van noodzakelijke gegevens.

Uitspraak

11/5614 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
23 augustus 2011, 11/1168 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak 12 april 2013.
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 maart 2013. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.B. Heij.
OVERWEGINGEN
1. Appellant heeft op 12 mei 2010 bij het Uwv een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).
2. Het Uwv heeft deze aanvraag bij besluit van 2 september 2010, onder toepassing van artikel 4:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, buiten behandeling gesteld omdat appellant niet heeft gereageerd op de brief van het Uwv van de 15 juli 2010, waarin het Uwv appellant heeft verzocht om onder meer zijn sofinummer en de datum van de eerste ziektedag te vermelden en stukken te overleggen met betrekking tot zijn arbeidsverleden en ziekte. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 2 september 2010 is bij besluit van 24 januari 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.
4.1. Met juistheid heeft de rechtbank toetsend aan artikel 4:5, eerste lid, en onder c, van de Awb de rechtmatigheid van het bestreden besluit beoordeeld.
4.2. Terecht is de rechtbank van oordeel dat de door het Uwv gevraagde gegevens noodzakelijk zijn voor de beoordeling van appellants aanvraag. De rechtbank is evenzeer terecht tot de slotsom gekomen dat het bestreden besluit de rechterlijke toetsing kon doorstaan.
4.3. Appellant heeft in hoger beroep niet bestreden dat de gevraagde gegevens redelijkerwijs noodzakelijk zijn, dat hij deze niet heeft overgelegd dan wel dat hem daartoe niet of onvoldoende de gelegenheid is geboden.
4.4. Gezien hetgeen is overwogen in 4.1, 4.2 en 4.3 treft het hoger beroep geen doel. De aangevallen uitspraak moet dus worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 april 2013.
(getekend) T. Hoogenboom
(getekend) G.J. van Gendt
RH