ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8833

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 april 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
10-5626 AOW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:73 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij AOW-verzekering

Appellante stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Arnhem waarin werd geoordeeld dat zij niet verzekerd was voor de Algemene Ouderdomswet (AOW) in de periode van 26 oktober 1987 tot en met 17 februari 1997.

Tijdens de procedure heeft de Sociale verzekeringsbank (Svb) een nieuwe beslissing op bezwaar genomen waarin zij appellante alsnog als verzekerd heeft beschouwd voor de betreffende periode. Hierdoor is het geschil tussen partijen feitelijk komen te vervallen.

Omdat appellante geen schadevergoeding heeft gevorderd en er geen inhoudelijk geschil meer bestaat, oordeelt de Raad dat er geen procesbelang aanwezig is voor het hoger beroep. Daarom wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Daarnaast wordt bepaald dat de Svb het betaalde griffierecht aan appellante vergoedt. Verzoek tot vergoeding van andere proceskosten zoals verlet- en portikosten wordt afgewezen omdat deze niet onder de wettelijke vergoedingsregeling vallen.

De uitspraak is gedaan door T.L. de Vries en uitgesproken in het openbaar op 26 april 2013.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

10/5626 AOW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van
30 september 2010, 10/462 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2012. Appellante is, met bericht, niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J. Oudenes.
De Raad heeft het onderzoek heropend en bij brieven van 18 december 2012 vragen aan partijen gesteld.
Bij brief van 27 december 2012 heeft appellante een reactie ingezonden.
De Svb heeft bij brief van 16 januari 2013 gereageerd op de brief van de Raad van 18 december 2012 en op 25 januari 2013 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Bij brief van 2 februari 2013 heeft appellante hierop gereageerd.
De Raad heeft partijen gevraagd toestemming te geven het onderzoek ter zitting van de Raad achterwege te laten. Appellante heeft deze toestemming niet gegeven. De Svb heeft deze toestemming wel gegeven.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2013. Appellante is, met bericht, niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J. Oudenes.
OVERWEGINGEN
1.1. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat appellante niet verzekerd is voor de Algemene Ouderdomswet in de tussen partijen in geschil zijnde periode van
26 oktober 1987 tot en met 17 februari 1997.
1.2. De Svb heeft appellante in de nieuwe beslissing op bezwaar van 25 januari 2013 alsnog verzekerd geacht in de bovenvermelde periode. Dit betekent dat er tussen partijen geen door de Raad te beslechten inhoudelijk geschil meer bestaat. Nu appellante niet om een schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:73 van Pro de Algemene wet bestuursrecht heeft verzocht, is er geen procesbelang aanwezig. De conclusie is dan ook dat het hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
2. Voor een veroordeling in de proceskosten van appellante wordt geen aanleiding gezien, nu van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten niet is gebleken. De door appellante opgegeven verlet- en portikosten zijn niet als zodanig aan te merken. Artikel 1 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) bevat een limitatieve opsomming van voor vergoeding in aanmerking komende kosten. Dit betekent dat kostensoorten die in die opsomming niet zijn opgenomen, niet kunnen worden vergoed. De verletkosten van appellante houden, naar het de Raad voorkomt, verband met tijdverzuim door het opstellen en lezen van stukken. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 21 september 2012, LJN BX7940 wordt geoordeeld dat deze niet voor vergoeding in aanmerking komen. De portikosten vallen niet onder de in artikel 1 van Pro het Bpb genoemde kostenposten en komen om die reden evenmin voor vergoeding in aanmerking.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
-verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
-bepaalt dat de Svb aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 152,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 april 2013.
(getekend) T.L. de Vries
(getekend) I.J. Penning
CVG