ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9360

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 april 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
11-7000 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • T. Hoogenboom
  • K. Wentholt
  • D.J. van der Vos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:2 AwbArt. 7:3 AwbArt. 8:72 AwbArt. 2 Besluit dagloonregels werknemersverzekeringenArt. 2, vierde lid, Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit UWV over vaststelling dagloon wegens ontbreken hoorzitting

Appellant had bezwaar gemaakt tegen het door het UWV vastgestelde dagloon van €36,08, stellende dat hij op grond van de toepasselijke CAO recht had op een hoger loon. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV terecht geen hoorzitting had gehouden omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was.

In hoger beroep stelt appellant dat het UWV onterecht afzag van een hoorzitting en dat het dagloon hoger had moeten worden vastgesteld vanwege het hogere CAO-loon. De Raad oordeelt dat het UWV appellant had moeten horen omdat diens betwisting van de feiten niet op voorhand kon worden uitgesloten. Het ontbreken van een hoorzitting maakt het besluit ondeugdelijk, waardoor het besluit wordt vernietigd.

De Raad stelt echter vast dat appellant niet heeft aangetoond dat hij in het refertejaar recht had op een hoger loon volgens de CAO, zodat het dagloon terecht is vastgesteld. Daarom blijven de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand. Het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten en moet het betaalde griffierecht vergoeden.

Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd wegens het ontbreken van een hoorzitting, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

11/7000 WW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 19 oktober 2011, 11/4457 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M. de Boorder, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2013. Appellant is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.H.M. Visser.
OVERWEGINGEN
1. Het Uwv heeft appellant bij besluit van 29 maart 2011 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend, gebaseerd op een dagloon van € 36,08. Bij besluit van 18 mei 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 29 maart 2011 zonder appellant naar aanleiding van zijn bezwaar voorafgaand te horen, ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv niet ten onrechte heeft afgezien van het houden van een hoorzitting gelet op hetgeen appellant in bezwaar had aangevoerd. Het dagloon is volgens de rechtbank juist vastgesteld en terecht gebaseerd op het feitelijk in het refertejaar genoten loon. De rechtbank acht het bepaalde in artikel 2, vierde lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen (Besluit) niet van toepassing omdat appellant eerst na ommekomst van de referteperiode een aanvang heeft gemaakt met het maken van aanspraak op een hoger uurloon bij de werkgever.
3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het Uwv ten onrechte van het houden van een hoorzitting heeft afgezien en dat hij, gelet op de door hem feitelijk uitgevoerde werkzaamheden, recht had op een bij CAO hoger vastgesteld uurloon zodat het dagloon op een hoger bedrag had moeten worden vastgesteld.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Blijkens artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan van de in artikel 7:2, eerste lid, van de Awb neergelegde verplichting de indiener van een bezwaarschrift te horen, worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Daarvan is sprake als in redelijkheid geen twijfel mogelijk is omtrent het oordeel dat het bezwaar ongegrond is. In bezwaar heeft appellant aangevoerd dat het besluit op onjuiste loongegevens berust gelet op zijn feitelijk verrichte werkzaamheden. Hiermee heeft appellant de feiten die aan het primaire besluit ten grondslag lagen, betwist. Hoewel appellant deze stelling niet met stukken heeft onderbouwd, had dit het Uwv aanleiding moeten geven appellant tijdens een hoorzitting de gelegenheid te geven zijn stelling nader toe te lichten omdat niet op voorhand uitgesloten kon worden dat dit tot een andere feitenvaststelling door het Uwv had dienen te leiden. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, had het houden van een hoorzitting in dit geval niet achterwege mogen blijven.
4.2. Dit brengt de Raad tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van 18 mei 2011 gegrond verklaren en dit besluit vernietigen.
4.3. De Raad zal voorts bezien of aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten en overweegt hiertoe als volgt.
4.4. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit wordt de werknemer geacht zijn loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever van dat loon opgave heeft gedaan. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, heeft het Uwv het dagloon in overeenstemming hiermee bepaald. De stelling van appellant dat hij krachtens de toepasselijke CAO gelet op de feitelijk door hem uitgevoerde werkzaamheden, recht had op een hoger loon en dat daarmee sprake is van een hoger dagloon, faalt. Anders dan de rechtbank heeft overwogen is daarvoor niet bepalend dat appellant eerst na ommekomst van het refertejaar aanspraak heeft gemaakt op een hoger uurloon, maar dat appellant niet heeft aangetoond dat hij op grond van de CAO in dat jaar recht had op een hoger uurloon. Er is dus geen sprake van vorderbaar loon als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van het Besluit.
4.5. Appellant is in de loop van de procedure voldoende in de gelegenheid gesteld zijn standpunt over het bestreden besluit naar voren te brengen, zodat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand worden gelaten.
5. De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.416,-.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep:
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 18 mei 2011;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.416,-;
- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van
in totaal € 153,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en K. Wentholt en D.J. van der Vos als leden, in tegenwoordigheid van D. Heeremans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 april 2013.
(getekend) T. Hoogenboom
(getekend) D. Heeremans
QH