ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9620
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- F.J.L. Pennings
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheid en wachttijd voor WAO-uitkering in hoger beroep
Betrokkene, werkzaam in de vleesindustrie, meldde zich op 4 december 2003 ziek. Het UWV weigerde een WAO-uitkering toe te kennen omdat betrokkene niet 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt was geweest. Betrokkene voerde aan dat hij vanaf die datum arbeidsongeschikt was en later vanaf 10 november 2004 weer in de Ziektewet was opgenomen.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het bestreden besluit, oordeelde echter dat betrokkene vanaf 4 december 2003 niet onafgebroken arbeidsongeschikt was. De rechtbank nam ook een standpunt in over arbeidsongeschiktheid vanaf 10 november 2004, wat het UWV buiten de grenzen van het geding vond.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de rechtbank buiten de grenzen van het geschil is getreden met haar oordeel over de arbeidsongeschiktheid vanaf 10 november 2004 en vernietigt dat deel van de uitspraak. Het hoger beroep van het UWV wordt gegrond verklaard, dat van betrokkene niet. De Raad bevestigt het oordeel over de wachttijd vanaf 4 december 2003 en wijst erop dat de ziekmelding van 19 februari 2004 geen samen te tellen wachttijd oplevert vanwege een onderbreking van minder dan vier weken.
Uitkomst: Het hoger beroep van het UWV wordt gegrond verklaard en dat van betrokkene niet; het bestreden besluit wordt bevestigd voor de wachttijd vanaf 4 december 2003 en vernietigd voor het overige.