ECLI:NL:CRVB:2013:CA0085
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Vermindering verlaging bijzondere bijstand wegens persoonlijke omstandigheden en verwijtbaarheid
Appellante, behandeld voor de ziekte van Crohn, was ten tijde van haar medische behandelingen in september en oktober 2008 niet verzekerd tegen ziektekosten. Het college verlaagde de bijzondere bijstand met 100% wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. De Raad oordeelt dat appellante door haar persoonlijke omstandigheden, waaronder het ontbreken van een vast woonadres en financiële middelen kort na terugkomst in Nederland, niet volledig verwijtbaar was voor het ontbreken van verzekering bij de eerste behandeling op 12 september 2008.
Voor de tweede behandeling op 27 oktober 2008 was appellante echter al ingeschreven in de GBA en had zij bijstand kunnen aanvragen en een verzekering kunnen afsluiten. De volledige verlaging van de bijzondere bijstand is daarom onterecht. De Raad vernietigt het besluit en bepaalt dat de verlaging slechts gedeeltelijk geldt, waarbij appellante een bedrag van €537,50 zelf draagt en het college €646,80 verstrekt.
Daarnaast veroordeelt de Raad het college in de proceskosten en vergoedt het betaalde griffierecht. De uitspraak vervangt het eerdere besluit van 29 november 2012 en is gedaan na behandeling in hoger beroep.
Uitkomst: De bijzondere bijstand wordt slechts gedeeltelijk verlaagd, waarbij appellante €537,50 zelf draagt en het college €646,80 verstrekt.