ECLI:NL:CRVB:2013:CA0296

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 mei 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
11-5300 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N.J. van Vulpen-Grootjans
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 BWWArt. 2 BWWArt. 1004 ARAArt. 1122 ARA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling weigering aanvullende uitkering op grond van Verordening Bovenwettelijke Werkloosheidsuitkering

Appellant was werkzaam als brug- en sluiswachter bij de gemeente Amsterdam en is per 1 december 2007 ontslagen op grond van artikel 1004 van Pro het Ambtenarenreglement Amsterdam (ARA), wat de tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde straf van voorwaardelijk ontslag inhoudt. Na het ontslag ontving appellant een Ziektewetuitkering en vervolgens een WGA-uitkering. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees het verzoek van appellant af om een aanvullende uitkering toe te kennen op grond van de Verordening Bovenwettelijke Werkloosheidsuitkering (BWW).

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad overweegt dat appellant niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 12, eerste lid, van de BWW, omdat het ontslag op grond van artikel 1004 ARA Pro niet is genoemd in de bepalingen die recht geven op een aanvullende uitkering. Dat het UWV de werkloosheid als niet verwijtbaar heeft aangemerkt en de materiële arbeidsongeschiktheid van appellant doen hieraan niet af.

Appellant heeft tevens aangevoerd dat het ontslagbesluit niet alle relevante omstandigheden heeft meegewogen, maar de Raad stelt dat dit ontslagbesluit en de eerdere uitspraak van 8 december 2011 als gegeven moeten worden beschouwd voor de beoordeling van de uitkeringsvraag. Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de aanvullende uitkering bevestigd.

Uitspraak

11/5300 AW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 4 augustus 2011, 10/3167 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Datum uitspraak 16 mei 2013.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. T.G.M. Gersjes, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2013. Appellant is verschenen. Het college heeft zich, zoals tevoren bericht, niet laten vertegenwoordigen. Op verzoek van appellant is [naam getuige] als getuige gehoord.
OVERWEGINGEN
1.1. Appellant is tot 1 december 2007 werkzaam geweest als brug- en sluiswachter bij de dienst Binnenwaterbeheer van de gemeente Amsterdam. Per die datum is appellant ontslagen, primair op grond van het bepaalde in artikel 1004 van Pro het Ambtenarenreglement Amsterdam (ARA), inhoudende tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde straf van voorwaardelijk ontslag. Subsidiair is aan het ontslag artikel 1122, eerste lid, aanhef en onder d, van het ARA ten grondslag gelegd. De Raad heeft bij uitspraak van 8 december 2011 de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 september 2010 bevestigd, waarbij de rechtbank heeft geoordeeld dat het ontslag van appellant op de primaire ontslaggrond stand houdt en het beroep ongegrond heeft verklaard.
1.2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) heeft appellant van 1 december 2007 tot 27 november 2009 een uitkering op grond van de Ziektewet toegekend. Aansluitend is appellant een WGA-uitkering toegekend op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Bij besluiten van 24 juni 2010 heeft het college (alsnog) afwijzend beslist op appellants verzoek hem met ingang van 1 december 2007 een aanvullende uitkering toe te kennen op grond van de Verordening Bovenwettelijke Werkloosheidsuitkering (BWW). Bij besluit van 4 november 2010 (bestreden besluit) heeft het college die afwijzing gehandhaafd.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.
3.1. Op grond van artikel 12, eerste lid, van de BWW heeft appellant recht op een aanvulling op zijn Ziektewetuitkering, indien hij, als hij niet ziek was geweest, recht zou hebben op een uitkering als bedoeld in artikel 2 van Pro de BWW. Hiervoor is vereist dat a. recht bestaat op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet (WW) en b. de werkloosheid een gevolg is van een ontslag op één van de in deze bepaling genoemde artikelen van het ARA.
3.2. Appellant bestrijdt niet dat artikel 1004 van Pro het ARA niet wordt genoemd onder b. Dit betekent dat appellant op grond van artikel 2 BWW Pro geen aanspraak zou hebben gehad op een aanvulling op zijn WW-uitkering. Hem komt derhalve evenmin een aanvulling toe op de Ziektewetuitkering. Dat het UWV de werkloosheid van appellant als niet verwijtbaar heeft aangemerkt noch de omstandigheid dat er in de in betreffende periode sprake was van materiële arbeidsongeschiktheid doet hieraan af.
3.3. Hetgeen appellant overigens nog heeft aangevoerd, is voornamelijk gericht tegen het ontslagbesluit. Volgens appellant zijn daarbij niet alle van belang zijnde omstandigheden meegewogen, hetgeen tot voor hem evident nadelige gevolgen heeft geleid. Voor de beoordeling van de aanspraak van appellant op een aanvullende uitkering is dat ontslagbesluit en de uitspraak van de Raad van 8 december 2011 echter een gegeven. Dit komt slechts anders te liggen, indien het inmiddels door appellant ingediende verzoek om herziening van die uitspraak wordt ingewilligd. In dat geval kan appellant het college verzoeken om terug te komen van het bestreden besluit.
3.4. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van
M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2013.
(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans
(getekend) M.R. Schuurman
HD