ECLI:NL:CRVB:2013:CA0296
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering aanvullende uitkering op grond van Verordening Bovenwettelijke Werkloosheidsuitkering
Appellant was werkzaam als brug- en sluiswachter bij de gemeente Amsterdam en is per 1 december 2007 ontslagen op grond van artikel 1004 van Pro het Ambtenarenreglement Amsterdam (ARA), wat de tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde straf van voorwaardelijk ontslag inhoudt. Na het ontslag ontving appellant een Ziektewetuitkering en vervolgens een WGA-uitkering. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees het verzoek van appellant af om een aanvullende uitkering toe te kennen op grond van de Verordening Bovenwettelijke Werkloosheidsuitkering (BWW).
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad overweegt dat appellant niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 12, eerste lid, van de BWW, omdat het ontslag op grond van artikel 1004 ARA Pro niet is genoemd in de bepalingen die recht geven op een aanvullende uitkering. Dat het UWV de werkloosheid als niet verwijtbaar heeft aangemerkt en de materiële arbeidsongeschiktheid van appellant doen hieraan niet af.
Appellant heeft tevens aangevoerd dat het ontslagbesluit niet alle relevante omstandigheden heeft meegewogen, maar de Raad stelt dat dit ontslagbesluit en de eerdere uitspraak van 8 december 2011 als gegeven moeten worden beschouwd voor de beoordeling van de uitkeringsvraag. Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de aanvullende uitkering bevestigd.