ECLI:NL:CRVB:2013:CA0316
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- K. Wentholt
- D.J. van der Vos
- Rechtspraak.nl
Arbeidsverhouding van sekswerker als fictieve dienstbetrekking bevestigd door Centrale Raad van Beroep
Betrokkene was tot eind 2009 als sekswerker werkzaam bij een exploitant en vroeg in 2010 een WW-uitkering aan, die door het Uwv werd afgewezen omdat zij geen werknemer zou zijn. De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond wegens onvoldoende onderzoek naar de fictieve dienstbetrekking en bepaalde dat het Uwv een nieuw besluit moest nemen.
In hoger beroep erkende het Uwv het eerdere gebrek aan onderzoek, maar handhaafde het standpunt dat de arbeidsverhouding niet als fictieve dienstbetrekking moest worden beschouwd, onder meer omdat aan het voorwaardenpakket van artikel 2b Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 zou zijn voldaan.
De Raad oordeelde dat het voorwaardenpakket een totaalpakket is en dat niet aan alle voorwaarden was voldaan, met name ontbrak een schriftelijke overeenkomst tussen exploitant en Belastingdienst zoals vereist. Dit leidde tot de conclusie dat de arbeidsverhouding als fictieve dienstbetrekking moet worden aangemerkt.
Het hoger beroep werd afgewezen en het Uwv werd opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de arbeidsverhouding van de sekswerker als fictieve dienstbetrekking moet worden aangemerkt en wijst het hoger beroep van het Uwv af.