ECLI:NL:CRVB:2013:CA0782
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAZ-uitkering wegens onvoldoende medische onderbouwing en urenomvang
Appellante, die sinds 1999 een WAZ-uitkering ontving wegens arbeidsongeschiktheid, kreeg bij besluit van het UWV haar uitkering per 23 december 2008 beëindigd omdat zij minder dan 25% arbeidsongeschikt zou zijn. Dit besluit werd bij bezwaar gehandhaafd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat de medische onderbouwing van de psychische klachten onvoldoende was en dat de urenomvang van 40 uur per week terecht was vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellante aan dat onvoldoende rekening was gehouden met haar PTSS en dat de urenomvang van de maatman onjuist was vastgesteld. Zij overhandigde nieuwe medische brieven en contracten voor optredens uit de jaren 1994-1996 ter onderbouwing.
De Raad concludeerde dat de bezwaarverzekeringsarts op basis van uitgebreide informatie van behandelaars en eigen onderzoek de beperkingen adequaat had vastgesteld in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De diagnose aanpassingsstoornis met depressieve stemming werd bevestigd en de PTSS-diagnose wijzigde hieraan niets. De urenomvang van 40 uur per week werd gegrond geacht, omdat de door appellante overgelegde stukken onvoldoende inzicht gaven in daadwerkelijke arbeidsuren en haar eigen opgave op het aanvraagformulier leidend was.
De Raad zag geen aanleiding tot benoeming van een deskundige en oordeelde dat het hoger beroep niet slaagde. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Amsterdam werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAZ-uitkering wegens onvoldoende medische onderbouwing en gegrond vastgestelde urenomvang.