ECLI:NL:CRVB:2013:CA0783
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over onzorgvuldige motivering bij weigering WAO-uitkering wegens vermeende niet-toegenomen arbeidsongeschiktheid
Appellant, werkzaam als schoonmaker, kreeg aanvankelijk een WAO-uitkering toegekend wegens rugklachten. Na herbeoordelingen en medische onderzoeken trok het UWV de uitkering in op grond van onvoldoende arbeidsongeschiktheid. Appellant stelde bezwaar en voerde aan dat zijn beperkingen waren toegenomen.
De bezwaarverzekeringsarts concludeerde dat er geen sprake was van toegenomen beperkingen, wat het UWV overnam. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en onderschreef het rapport van de bezwaarverzekeringsarts.
In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat het UWV onvoldoende medische onderbouwing heeft gegeven voor het standpunt dat de beperkingen niet zijn toegenomen. De bezwaarverzekeringsarts had appellant zelf moeten onderzoeken of overleg moeten plegen met de arts die de beperkingen vaststelde. Hierdoor is het besluit onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd.
De Raad draagt het UWV op het gebrek binnen acht weken te herstellen en benadrukt dat bij een eventuele vaststelling van toegenomen beperkingen de bezwaren van appellant tegen de Functionele Mogelijkheden Lijst opnieuw onderzocht moeten worden, inclusief een arbeidskundige heroverweging.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering is onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd, en het UWV wordt opgedragen dit te herstellen.