ECLI:NL:CRVB:2013:CA1032

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 mei 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
12-2696 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N.J. van Vulpen-Grootjans
  • R. Kooper
  • W. van den Brink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van compensatieregeling na wijziging inhoudingspercentage loonbelasting en premie volksverzekeringen

Appellante, voormalig ambtenaar van de gemeente Geleen, ontving een compensatie voor het financiële nadeel door de overgang van VGZ naar IZA. Na haar vervroegde uittreding via de FPU-regeling en het bereiken van de 65-jarige leeftijd, paste het college het bruto compensatiebedrag aan op basis van een lager inhoudingspercentage voor loonbelasting en premie volksverzekeringen.

Appellante betoogde dat het brutobedrag ongewijzigd moest blijven, maar de rechtbank verwierp dit standpunt omdat de compensatie gebaseerd is op een gegarandeerd nettobedrag, niet op een vast brutobedrag. De Raad bevestigt dat wijzigingen in het inhoudingspercentage leiden tot aanpassing van het brutobedrag, zonder wijziging van het netto compensatiebedrag.

De Raad overweegt dat het fiscale systeem dwingend voorschrijft welk bedrag aan loonheffing moet worden ingehouden en afgedragen, waardoor het college niet gehouden is een hoger brutobedrag te hanteren dan wettelijk vereist. Hierdoor blijft het netto compensatiebedrag gehandhaafd, ondanks variaties in de brutering.

De Raad verwijst naar eerdere uitspraken waarin werd geoordeeld dat herberekening van de compensatie bij pensionering niet op wettelijke grondslag berust. De huidige aanpassing betreft een fiscale herberekening van de loonheffing, geen herziening van de compensatie zelf. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het netto compensatiebedrag ongewijzigd blijft ondanks een lager bruto compensatiebedrag door een aangepast inhoudingspercentage.

Uitspraak

12/2696 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 6 april 2012, 11/1444 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (college)
Datum uitspraak: 23 mei 2013
PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2013. Voor appellante is haar echtgenoot [naam echtgenoot appellante] verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.J.W.C. Creusen, advocaat, en door H.L. Habets.
OVERWEGINGEN
1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
1.1. Appellante was in dienst bij de gemeente Geleen, die bij een gemeentelijke herindeling per 1 januari 2001 is opgegaan in de gemeente Sittard-Geleen. Voor medewerkers van de voormalige gemeente Geleen liep een collectieve ziektekostenverzekering bij VGZ, waarvan de gemeente een deel van de premie voor haar rekening nam. Het personeel van de fusiegemeenten Sittard en Born viel onder de IZA-regeling. Vanaf 1 januari 2004 zijn alle ambtenaren van de nieuwe gemeente ondergebracht in de IZA-regeling. Op grond van gedane toezeggingen is voor de voormalige Geleense ambtenaren, voor wie de overgang naar de IZA regeling nadelig zou uitpakken, een compensatieregeling tot stand gebracht. Deze is laatstelijk vastgesteld overeenkomstig afspraken die zijn gemaakt in het Georganiseerd Overleg (GO) van 18 november 2004. Op grond van de compensatieregeling is aan appellante een maandelijkse compensatie toegekend voor haar financiële nadeel ten gevolge van de overgang van VGZ naar IZA.
1.2. Appellante is per 1 augustus 2005 vervroegd uitgetreden met gebruikmaking van de FPU-regeling. In verband daarmee heeft het college bij besluit van 27 juli 2005, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 13 december 2005, de compensatie herberekend. Bij uitspraak van 21 augustus 2008 (LJN BF0105) heeft de Raad geoordeeld dat deze besluiten niet in stand konden blijven omdat kort gezegd een herberekening van de toegekende compensatie wegens het verlaten van de actieve dienst niet was gebaseerd op enig algemeen verbindend voorschrift.
1.3. Per 1 juli 2010 is appellante wegens het bereiken van de 65 jarige leeftijd gepensioneerd. Bij brief van 7 februari 2011 heeft zij, naar aanleiding van de haar toegezonden jaaropgaaf over 2010, te kennen gegeven dat bij het bepalen van het bruto-bedrag van de compensatie ten onrechte een gewijzigd percentage is gehanteerd. Bij besluit van 23 februari 2011 heeft het college geweigerd de betalingen op grond van de compensatieregeling te corrigeren voor 2010, en eveneens voor 2011 en volgende jaren. Appellante heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 25 juli 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard voor zover dit is gericht tegen het niet wijzigen van de jaaropgave. Wat betreft de brutering is het bezwaar ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank overwoog dat de aan appellante toegekende compensatie voor het inkomensnadeel zag op de garantie van een bepaald nettobedrag, welk bedrag indertijd individueel is berekend en behoudens indexatie niet meer mag worden gewijzigd. Anders dan in de eerdere procedure tussen partijen, heeft zo'n wijziging hier ook niet plaatsgevonden, aldus de rechtbank.
3. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.
3.1. Het geschil tussen partijen betreft uitsluitend de brutering naar een gewijzigd inhoudingspercentage voor loonbelasting en premie volksverzekeringen. Nadat appellante met FPU was gegaan, heeft het college het percentage van de "groene" inhoudingstabel gehanteerd dat geldt voor personen jonger dan 65 jaar. Toen appellante in 2010 de 65 jarige leeftijd had bereikt, is het college voor haar het lagere percentage van die tabel gaan hanteren dat geldt voor personen van 65 jaar en ouder. Daardoor komt het college sindsdien uit op een lager maandelijks brutobedrag.
3.2. Appellante heeft van deze gewijzigde brutering kennis genomen uit de jaaropgaaf over 2010. Al haar argumenten berusten in de kern op het uitgangspunt dat zij recht heeft op onverkorte handhaving van het brutobedrag aan compensatie dat haar oorspronkelijk is toegekend.
3.3. De rechtbank heeft dit uitgangspunt van appellante terecht verworpen. Op grond van de compensatieregeling wordt voor het directe inkomensnadeel compensatie gegeven op basis van een vergelijking van netto-inkomens op de peildatum 31 december 2003. In eerdere versies van de regeling werd dit aldus uitgedrukt, dat sprake is van een nominale compensatie die is gebaseerd op de uitkomsten van een op individueel niveau gemaakte netto inkomensvergelijking op de peildatum. De kennelijke strekking van de regeling is dat de uitkomst van de netto-nettovergelijking per 31 december 2003 bepalend is voor het nettobedrag aan compensatie dat de medewerker krijgt uitbetaald. Indien het inhoudingspercentage verandert, leidt dit voor fiscale doeleinden tot een ander brutobedrag, maar niet tot een betaling van een ander nettobedrag aan appellante.
3.4. De in de eerste versie van de compensatieregeling opgenomen zinsnede dat "het bedrag van het nettoverschil wordt omgerekend tot een nadien niet meer wijzigend brutobedrag", maakt dit niet anders. Deze zinsnede is komen te vervallen toen in het GO van 15 januari 2004 een jaarlijkse indexering van het nettobedrag werd afgesproken. Van een gegarandeerd brutobedrag is geen sprake.
3.5. Ter zitting is namens appellante aangegeven dat het haar niet gaat om uitbetaling van een hoger nettobedrag door de gemeente, maar om het ongewijzigd blijven van de door de gemeente aan de belastingdienst af te dragen loonheffing. Blijkbaar beoogt zij hiermee dat bij de uiteindelijke aanslag inkomstenbelasting steeds eenzelfde bedrag aan afgedragen loonheffing in aanmerking wordt genomen, ook indien het fiscale inhoudingspercentage inmiddels is verlaagd. Langs deze weg zou de verlaging haar dan indirect ten goede komen. Dit oogmerk is echter niet verenigbaar met het systeem van de belastingwetgeving. Die wetgeving bepaalt dwingend wat de werkgever bij zijn loonbetalingen aan loonheffing moet inhouden en afdragen. Voor afdracht van daar bovenuit gaande bedragen aan de fiscus is geen plaats. Ook het argument dat appellante niet afhankelijk wil zijn van de inhoudingen door het college treft geen doel. Op dat punt staat zij tot het college in dezelfde verhouding als iedere werknemer tot zijn of haar werkgever. Indien achteraf zou blijken dat te weinig is ingehouden, kan zij het college verzoeken haar het daardoor geleden nadeel te vergoeden opdat het nettobedrag van de compensatie per saldo gehandhaafd blijft.
3.6. De onder 1.2 genoemde uitspraak van 21 augustus 2008 leidt evenmin tot een ander oordeel. Daarin gaf de Raad geen beslissing over de brutering, maar over de vraag of er een wettelijke basis was voor herberekening van de compensatie naar aanleiding van het vervroegd uittreden in 2005 of de pensionering in 2010. Die vraag werd toen ontkennend beantwoord, omdat geen wettelijk voorschrift in zo'n herberekening voorziet. Wat het college thans heeft gedaan, is geen herberekening van de compensatie, maar een herberekening op grond van de fiscale wetgeving van de ter zake van de compensatie te verrichten afdracht van loonheffing aan de belastingdienst en van het daarmee overeenkomende brutobedrag. De compensatie zelf, die blijkens het vorenstaande op een nettobedrag luidt, is ongewijzigd gebleven.
3.7. Het hoger beroep treft dus geen doel. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en R. Kooper en W. van den Brink als leden, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2013.
(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans
(getekend) S.K. Dekker