ECLI:NL:CRVB:2013:CA1544
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- E.J. Govaers
- Rechtspraak.nl
Weigering herziening WAO-uitkering wegens geen toename arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om zijn WAO-uitkering niet te herzien op grond van artikel 39a van de WAO, omdat volgens het UWV geen sprake was van een toename van arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar na de eerdere beoordeling.
De rechtbank Groningen verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat de toegenomen klachten vooral samenhingen met zijn arbeidsconflict en dat er geen algemene toename van beperkingen was. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn psychische beperkingen, mede door zijn moeizame arbeidssituatie, waren toegenomen en dat ook zijn hartklachten nieuw waren.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de lichamelijke klachten vooral voortkomen uit spanningsklachten en psychische problematiek gerelateerd aan het arbeidsconflict. De nieuw ontstane hartklachten leiden niet tot een toename van beperkingen in de zin van artikel 39a WAO, aangezien deze bij de eerdere beoordeling niet relevant waren.
Het rapport van psychiater Schoevers, waarin werd vastgesteld dat appellant niet geschikt was voor zijn eigen werk, ziet uitsluitend op het arbeidsconflict en impliceert geen algemene toename van arbeidsongeschiktheid. De Raad bevestigt daarom het oordeel van de rechtbank en wijst het hoger beroep af.
Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep wijst het hoger beroep af en bevestigt de weigering tot herziening van de WAO-uitkering wegens het ontbreken van toegenomen arbeidsongeschiktheid.