ECLI:NL:CRVB:2013:CA1856

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 mei 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
11-7464 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K. Zeilemaker
  • N.J. van Vulpen-Grootjans
  • G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 69 Algemeen Rijksambtenarenreglement
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling compensatie afkoopsom oud-UWV-werknemers na overgang naar Belastingdienst

Appellant was een oud-werknemer van het UWV die in 2006 overging naar de Belastingdienst. Bij die overgang werd een afkoopsom vastgesteld die appellant heeft ontvangen en waartegen hij geen bezwaar heeft gemaakt. Later bleek dat in soortgelijke gevallen een fout was gemaakt bij de berekening van afkoopsommen, wat leidde tot nabetalingen aan collega’s.

Appellant vorderde een volledige compensatie van de afkoopsom, mede op grond van een convenant tussen de Belastingdienst, het UWV en vakbonden. De staatssecretaris kende uit coulance een eenmalige tegemoetkoming van € 500 bruto toe, maar weigerde verdere compensatie. Dit besluit werd door de rechtbank bevestigd.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat er geen wettelijke verplichting bestaat tot verdere compensatie, dat het besluit van de staatssecretaris binnen diens discretionaire bevoegdheid valt en dat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die herziening rechtvaardigen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit bevestigd.

Uitspraak

11/7464 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 15 november 2011, 11-4131 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Staatssecretaris van Financiën (staatssecretaris)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.J. Vis hoger beroep ingesteld
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het geding 11/7462 AW, plaatsgevonden op 18 april 2013. Appellant is verschenen bijgestaan door mr. Vis. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V.P.H. Sijben.
OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant was werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV). In verband met de overheveling van de bevoegdheid ten aanzien van premieheffing en -inning sociale verzekering van het UWV naar de Belastingdienst, zijn plm. 800 medewerkers, waaronder appellant per 1 januari 2006 overgegaan naar de Belastingdienst. Ten aanzien van die overgang is met de vakbonden afgesproken dat eventuele negatieve effecten van de inschaling in de salarissfeer op het moment van de overgang, worden vergolden met een afkoopsom, die wordt uitbetaald bij de eerste salarisbetaling door de Belastingdienst.
1.2. Appellant heeft in januari of februari 2006 een afkoopsom ontvangen. Bij besluit van
27 juni 2006 heeft appellant een eindafrekening ontvangen, als gevolg waarvan hij € 895,91 moest terugbetalen. Het daarmee overeenkomende netto bedrag is ingehouden op zijn salaris van juli 2006. Appellant heeft in dat besluit berust.
1.3. Op 8 april 2010 en 22 juli 2010 heeft de Raad (LJN BM2335 en LJN BM2342) in een vijftal zaken van collega’s van appellant beslist dat in de berekening van de afkoopsommen is uitgegaan van een foutief percentage bijzonder tarief. Ter uitvoering van die uitspraak hebben die collega’s een (flinke) nabetaling ontvangen.
1.4. Bij besluit van 16 december 2010 heeft de staatssecretaris aan onder meer appellant uit coulance op grond van goed werkgeverschap een tegemoetkoming van € 500,- bruto nabetaald.
1.5. Na bezwaar heeft de staatssecretaris dit besluit bij besluit van 18 april 2011 (bestreden besluit) gehandhaafd. Daartoe is overwogen dat de afkoopsommen in 2006 bij besluit zijn vastgesteld en in rechte vaststaan, nu appellant daartegen geen bezwaar heeft gemaakt en beroep heeft ingesteld. Er is dus geen verplichting om de afkoopsommen te herzien of een financiële tegemoetkoming uit te betalen. De uitspraken van 8 april 2010 kunnen op grond van vaste rechtspraak niet aangemerkt worden als nieuw gebleken feiten of omstandigheden die nopen tot herziening van de afkoopsommen. In overleg met de vakcentrales is niettemin besloten aan alle oud-UWV-medewerkers die een afkoopsom hebben ontvangen en op 1 december 2010 in dienst zijn, uit coulance op grond van goed werkgeverschap eenmalig een bedrag van € 500,- bruto toe te kennen.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
3.1. Er valt geen rechtsregel aan te wijzen die de staatssecretaris verplicht om oud-UWV-werknemers die in 2006 geen rechtsmiddelen hebben aangewend tegen het besluit waarin hun afkoopsom is vastgesteld, op enigerlei wijze te compenseren. Er is dus sprake van een ongevraagd begunstigend besluit. Het besluit om appellant een tegemoetkoming van (slechts) € 500,- toe te kennen en hen niet verdergaand te compenseren berust op de in artikel 69, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement gegeven discretionaire bevoegdheid om naar billijkheid een ambtenaar schadeloos te stellen kosten te vergoeden of overigens een geldelijke tegemoetkoming te verlenen. Deze bevoegdheid brengt een grote mate van beoordelingsvrijheid met zich mee. Een besluit met toepassing van die bevoegdheid kan door de bestuursrechter slechts terughoudend worden getoetst.
3.2. Gelet op de onder 1.5 weergegeven redenen om appellant geen andere of hogere vergoeding toe te kennen dan € 500,- bruto, kan bij terughoudende toetsing niet worden gezegd dat de staatssecretaris daartoe niet in redelijkheid heeft kunnen komen dan wel dat hij daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel. Nu de staatssecretaris tot geen enkele tegemoetkoming verplicht was, is het besluit ten aanzien van appellant niet onredelijk of onjuist. Het hoger beroep kan in zoverre niet slagen.
3.3. Zoals blijkt uit het bestreden besluit, zijn de bezwaren die appellant tegen het besluit van 16 december 2010 heeft aangevoerd door de staatssecretaris mede gelezen als een verzoek
- in de bezwaarfase - om (volledige) reparatie van het besluit van 27 juni 2006. In het bestreden besluit heeft de staatssecretaris daarover overwogen dat naar vaste rechtspraak in een dergelijk geval toepassing moet worden gegeven aan artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat de uitspraken van 8 april 2010 niet zijn aan te merken als nieuw gebleken feiten of omstandigheden die nopen tot reparatie van het besluit van 27 juni 2006. Verwezen is daarbij naar uitspraken van de Raad LJN AR5648 en BJ7887.
3.4. De rechtbank heeft dit standpunt in de aangevallen uitspraak onderschreven en ook de Raad acht een beoordeling met analoge toepassing van artikel 4:6 van Pro de Awb juist. Hij onderschrijft dat appellant geen nieuwe feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die nopen tot herziening van de eindafrekening van 27 juni 2006.
3.5. Wat betreft het beroep van appellant op het convenant van 4 februari 2005 dat was gesloten tussen de bestuurders van de Belastingdienst en het UWV aan de ene kant en de vakbonden aan de andere kant, en het vertrouwen op volledige compensatie dat hij daaraan meent te ontlenen, geldt volgens vaste rechtspraak dat individuele ambtenaren hun rechtspositionele aanspraken niet ontlenen aan een (arbeidsvoorwaarden)akkoord, maar aan ter bepaling van hun rechtspositie gegeven algemeen verbindende voorschriften of genomen besluiten (CRvB 20 maart 2003, LJN AF6575 en TAR 2003, 119, en CRvB 1 oktober 2009, LJN BK0687 en TAR 2010, 21), in dit geval het besluit van 27 juni 2006. In het laatstgenoemd besluit heeft appellant berust. Ook die beroepsgrond slaagt dus niet.
3.6. Uit 3.1. tot en met 3.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen grond.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier.De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2013.
De voorzitter is buiten staat te ondertekenen
(getekend) B. Rikhof
HD