ECLI:NL:CRVB:2013:CA2257

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 mei 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
11-7330 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • T. Hoogenboom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WAOArt. 16 WAOArt. 18 WAOArt. 19 lid 1 WAO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid en verzekeringsstatus

Appellant verzocht het UWV om een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid die zou zijn aangevangen op 27 mei 1991. Het UWV weigerde de uitkering omdat appellant niet kon aantonen dat hij 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt was geweest en omdat hij op de relevante datum niet verzekerd was voor de WAO.

De rechtbank oordeelde dat appellant slechts vier dagen ziekengeld had ontvangen vanaf 27 mei 1991 en dat verklaringen van zijn arts niet betrouwbaar waren, omdat de arts toegaf zich te hebben vergist en appellant pas op 15 mei 1992 had gezien. Tevens kon appellant niet aannemelijk maken dat hij werknemer was in de zin van artikel 3, eerste lid, van de WAO.

Het hoger beroep faalt omdat appellant niet aan zijn bewijslast heeft voldaan. De Centrale Raad van Beroep bevestigt het bestreden besluit en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WAO-uitkering bevestigd.

Uitspraak

11/7330 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
8 december 2011, 11/3333 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.], Marokko (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak 24 mei 2013.
PROCESVERLOOP
Namens appellant is hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 maart 2013. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.B. Heij.
OVERWEGINGEN
1.1. Op 23 maart 2009, aangevuld bij brieven van latere data, heeft appellant het Uwv verzocht hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen in verband met arbeidsongeschiktheid die volgens appellant op 27 mei 1991 is aangevangen.
1.2. Bij besluit van 9 februari 2011 heeft het Uwv geweigerd appellant een uitkering ingevolge de WAO toe te kennen op de grond dat hij vanaf 27 mei 1991 niet 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest. Dit besluit berust op een verzekeringsgeneeskundig onderzoek. Bij een ander besluit van eveneens 9 februari 2011 heeft het Uwv geweigerd appellant, ervan uitgaande dat de eerste ziektedag 15 mei 1992 zou moeten zijn, een uitkering ingevolge de WAO toe te kennen op de grond dat appellant op die dag niet meer verzekerd was voor de WAO.
1.3. Tegen de besluiten van 9 februari 2011 is in bezwaar aangevoerd dat appellant na 27 mei 1991 onveranderd te kampen heeft gehad met psychische beperkingen die hij op die datum reeds had. Die beperkingen hebben voortgeduurd tot na 27 mei 1992. Appellant heeft gesteld dat dit genoegzaam blijkt uit verklaringen van zijn arts in Marokko.
1.4. Bij besluit van 7 juni 2011 is het bezwaar van appellant tegen de besluiten van 9 februari 2011 ongegrond verklaard. Het besluit van 7 juni 2011 berust op een verzekeringsgeneeskundig rapport.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 7 juni 2011 ongegrond verklaard.
2.1. De rechtbank heeft het bestreden besluit getoetst aan het wettelijk kader dat wordt gevormd door de artikelen 18, 19, eerste lid en 16 van de WAO, zoals deze bepalingen luidden ten tijde in dit geding van belang. Daarbij heeft de rechtbank rechtspraak van de Raad betrokken als bijvoorbeeld neergelegd in de uitspraken van 5 maart 2004, LJN AO4259 en
9 september 2011, LJN BS1122, betrekking hebbend op de bewijslast die op partijen rust in gevallen als het onderhavige, waarin door de betrokkene een zogenoemde laattijdige aanvraag is gedaan.
2.2. Met betrekking tot het bestreden besluit, voor zover daarbij het bezwaar tegen het eerste besluit van 9 februari 2011 ongegrond is verklaard heeft de rechtbank terecht overwogen dat appellant van 27 mei 1991 tot en met 3 juni 1991 ziekengeld heeft ontvangen. Na 3 juni 1991 is er geen sprake meer geweest van een hernieuwde ziekmelding dan wel van betaling van ziekengeld. Evenzeer terecht heeft de rechtbank overwogen dat appellant met betrekking tot de periode van 27 mei 1991 tot 27 mei 1992 slechts een verklaring van het toenmalige Gemeenschappelijk Administratie Kantoor gedateerd 11 juni 1991 heeft overgelegd, waaruit blijkt dat appellant met ingang van 27 mei 1991, vier dagen ziekengeld heeft ontvangen. Daarmee heeft appellant niet aannemelijk weten te maken dat hij per 27 mei 1992 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest. Het beroep dat appellant heeft gedaan op verklaringen van de hem behandelend arts faalt. Appellants arts M. Karim heeft verklaard dat hij zich heeft vergist bij het afgeven van de medische verklaringen en dat hij appellant eerst op 15 mei 1992 voor een consult heeft gezien. Dus heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het Uwv moet worden gevolgd in zijn stelling dat aan de verklaringen van deze arts die zijn gedateerd op een tijdstip eerder dan de 15 mei 1992 geen betekenis kan worden toegekend.
2.3. Met betrekking tot het bestreden besluit, waarbij appellants bezwaar tegen het tweede besluit van 9 februari 2011 ongegrond is verklaard, heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op 15 mei 1992 werknemer was in de zin van artikel 3, eerste lid, van de WAO. Dus heeft het Uwv reeds op deze grond, terecht geoordeeld dat appellant, gelet op artikel 16 van Pro die wet, met ingang van die datum niet in aanmerking komt voor een uitkering ingevolge die wet.
3. Gelet op hetgeen is overwogen in 2.1 tot en met 2.3 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
4. Er is geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2013.
(getekend) T. Hoogenboom
(getekend) G.J. van Gendt
GdJ