ECLI:NL:CRVB:2013:CA3192
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot verhoging WAO-uitkering wegens niet toegenomen beperkingen
Appellant, sinds 1983 arbeidsongeschikt, verzocht herhaaldelijk om verhoging van zijn WAO-uitkering wegens vermeende toename van beperkingen. Na eerdere herzieningen en afwijzingen diende hij in 2009 opnieuw een verzoek in, dat door het UWV werd afgewezen op grond dat de beperkingen niet waren toegenomen.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het UWV zorgvuldig had gehandeld en dat er geen medische informatie was die een toename van arbeidsongeschiktheid aantoonde. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn rugklachten waren toegenomen en verzocht om een onafhankelijke deskundige.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de medische situatie adequaat had beoordeeld, waarbij rekening was gehouden met de rugklachten en dat ingezonden röntgenfoto’s niet relevant waren voor de ernst van de beperkingen. Er was geen aanleiding om het oordeel van het UWV te herzien.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek tot verhoging van de WAO-uitkering bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek tot verhoging van de WAO-uitkering wordt afgewezen omdat de beperkingen niet zijn toegenomen.