ECLI:NL:CRVB:2013:CA3213
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Beëindiging nabestaandenuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante ontving sinds 1999 een nabestaandenuitkering na het overlijden van haar echtgenoot. De uitkering werd beëindigd per 1 april 2011 omdat haar jongste kind 18 jaar werd. Appellante stelde arbeidsongeschikt te zijn, maar het UWV en verzekeringsartsen concludeerden dat zij minder dan 45% arbeidsongeschikt was.
Na bezwaar en herbeoordeling door verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen handhaafde de Sociale Verzekeringsbank (Svb) het besluit tot beëindiging. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen adequaat waren beoordeeld.
In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaren over het medisch onderzoek en de beoordeling van haar beperkingen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag juist was en dat de verzekeringsartsen voldoende rekening hadden gehouden met de beperkingen. De Raad bevestigde dat appellante ondanks haar beperkingen in staat was om de geduide functies te vervullen en bevestigde het bestreden besluit.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op voortzetting van de nabestaandenuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.