Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 13 december 2012 ongegrond;
- bepaalt dat van het college een griffierecht van € 466,- wordt geheven.
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en kreeg een dwangsom van €1.260,- toegekend wegens te late besluitvorming van het college over bijzondere bijstand. Het college verrekende deze dwangsom met de bijstand, waarna betrokkene bezwaar maakte. De rechtbank oordeelde dat de dwangsom niet als inkomen kan worden aangemerkt, maar als vermogen, en vernietigde het besluit van het college.
In hoger beroep betoogden beide partijen tegen de uitspraak van de rechtbank. Betrokkene stelde dat de dwangsom niet als middel in de zin van artikel 31 WWB Pro moet worden gezien en dat de opsomming in artikel 31 lid 2 niet Pro limitatief is. Het college stelde dat de dwangsom als inkomen moet worden beschouwd omdat het niet is uitgezonderd in artikel 31 lid Pro 2.
De Raad oordeelde dat de dwangsom niet als inkomen kan worden aangemerkt, omdat het een prikkel is voor bestuursorganen om tijdig te beslissen en niet gelijkgesteld kan worden met schadevergoeding of inkomen uit arbeid of vermogen. De dwangsom valt wel onder het begrip vermogen volgens artikel 34 lid 1 WWB Pro. Omdat de toegekende dwangsom niet leidde tot overschrijding van de vrij te laten vermogensgrens, staat dit aan voortzetting van de bijstand niet in de weg.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank, wees het hoger beroep af en verklaarde het beroep tegen het besluit van 13 december 2012 ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de dwangsom als vermogen moet worden aangemerkt en wijst het hoger beroep af.