ECLI:NL:CRVB:2014:1056
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij indicatiebesluit huishoudelijke hulp
Verzoekster ontving sinds 2009 een persoonsgebonden budget voor huishoudelijke hulp, vastgesteld op zes uur per week. In 2013 vroeg zij om meer uren, ook met terugwerkende kracht, maar het college wees dit af wegens het ontbreken van nieuwe feiten. Verzoekster stelde beroep in en vroeg tevens een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter van de rechtbank wees het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening af. Verzoekster stelde dat haar gezondheid verslechterde en dat het medisch onderzoek onvoldoende was, waardoor zij spoedeisend belang had bij meer hulp. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat het indicatiebesluit liep tot 31 december 2013, waardoor geen onverwijlde spoed bestond voor een voorlopige voorziening.
Daarom werd het verzoek afgewezen en werd geen proceskostenvergoeding toegekend. De uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep op 12 maart 2014.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.