ECLI:NL:CRVB:2014:1131
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing IOAW-uitkering wegens niet-woning op opgegeven adres
Appellant vroeg op 18 augustus 2011 een IOAW-uitkering aan en gaf een recreatiewoning als woonadres op. Na meerdere uitnodigingen voor gesprekken zonder afmelding en een huisbezoek startte het bestuur een onderzoek naar zijn woon- en leefsituatie. Dit onderzoek, inclusief buurtonderzoeken en waarnemingen in Nederland en België, leidde tot het besluit dat appellant niet op het opgegeven adres woonde.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad stelde vast dat het bestuur voldoende feitelijke gronden had om te concluderen dat appellant niet woonde op het opgegeven adres, mede door het ontbreken van gas- en elektriciteitsvoorziening en de bevindingen van het buurtonderzoek.
Appellant voerde aan dat bepaalde feiten onjuist waren, maar kon dit niet aannemelijk maken. Ook eerdere uitspraken over permanente bewoning waren niet relevant voor de periode van deze zaak. De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de eerdere uitspraak zonder toekenning van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de IOAW-uitkering bevestigd wegens niet-woning op het opgegeven adres.