ECLI:NL:CRVB:2014:1175
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek om kwijtschelding restvordering bijstand wegens dwanginvordering
Appellante verzocht het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage om kwijtschelding van een restvordering van €26.627,24 aan ten onrechte ontvangen bijstand. Het college wees dit verzoek af omdat de schuld via dwanginvordering werd geïnd, wat volgens het beleid uitsluiting van kwijtschelding betekent.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad stelde vast dat het besluit tot intrekking en terugvordering onherroepelijk is en dat appellante onvoldoende bijzondere omstandigheden had aangevoerd om van het beleid af te wijken.
Verder oordeelde de Raad dat de dwanginvordering vanaf 2007 correct was toegepast en dat het terugvorderen van ten onrechte verleende bijstand geen bestraffende sanctie is, ondanks dat appellante eerder een taakstraf had ondergaan. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het verzoek om kwijtschelding van de restvordering wordt afgewezen omdat sprake is van dwanginvordering volgens het geldende beleid.