ECLI:NL:CRVB:2014:141
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen aanspraak op maatschappelijke opvang voor uitgeprocedeerde asielzoekster
Appellante, een uitgeprocedeerde asielzoekster van Soedanese nationaliteit, vroeg op 9 juli 2012 opvang aan op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) omdat zij haar huidige opvang per 1 augustus 2012 moest verlaten. Het college van burgemeester en wethouders van Breda wees de aanvraag af wegens het ontbreken van bijzondere medische omstandigheden en verwees naar voorzieningen in een vrijheidsbeperkende locatie (VBL).
De voorzieningenrechter verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond en wees erop dat appellante zich moet melden bij de Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V) om gebruik te maken van de VBL-voorzieningen. Appellante ging in hoger beroep en stelde dat zij extreem kwetsbaar is en zich niet hoeft te melden bij de DT&V.
De Raad oordeelde dat appellante vanwege haar verblijfsstatus geen aanspraak kan maken op maatschappelijke opvang en dat het weigeren van opvang in redelijkheid niet onrechtvaardig is zolang zij gebruik kan maken van de VBL-voorzieningen. Omdat appellante zich niet wil melden bij de DT&V en geen geobjectiveerde noodzaak voor deze weigering heeft aangetoond, is het hoger beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond; geen recht op maatschappelijke opvang voor uitgeprocedeerde asielzoekster die zich niet meldt bij DT&V.