ECLI:NL:CRVB:2014:1455
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering ten onrechte betaalde WW-uitkering zonder dringende redenen
Appellant ontving een WW-uitkering die na ziekmelding per 1 augustus 2011 onterecht werd doorbetaald. Het UWV vorderde het bedrag van €23.008,40 terug over de periode 1 augustus 2011 tot 19 augustus 2012. Appellant stelde bezwaar en beroep in tegen deze terugvordering en de wijze van verrekening met zijn Ziektewet-uitkering.
De rechtbank verwierp het beroep van appellant, onder meer omdat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagde en er geen dringende redenen waren om af te zien van terugvordering. Appellant voerde in hoger beroep aan dat een UWV-arts hem een toeslag had toegezegd die hij mocht behouden en dat terugvordering tot onaanvaardbare sociale en financiële gevolgen zou leiden.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het vertrouwensbeginsel niet van toepassing is omdat geen ondubbelzinnige toezegging is gedaan. Ook zijn de sociale en financiële gevolgen niet aannemelijk gemaakt; de beslagvrije voet is in acht genomen bij de aflossingscapaciteit. Het hoger beroep wordt verworpen en de terugvordering bevestigd.
Uitkomst: De terugvordering van de ten onrechte betaalde WW-uitkering wordt bevestigd omdat geen dringende redenen zijn aangetoond.