ECLI:NL:CRVB:2014:1470

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 mei 2014
Publicatiedatum
1 mei 2014
Zaaknummer
12-5658 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N.J. van Vulpen-Grootjans
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:690 BWArt. 2:4 CAR/BUWO
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering omzetting tijdelijke aanstelling in vaste aanstelling bij gemeente Breda

Appellante was vanaf begin 2008 werkzaam bij de gemeente Breda op basis van een uitzendovereenkomst. Vanaf 1 februari 2010 werd zij tijdelijk in dienst genomen tot 1 februari 2012. Het college van burgemeester en wethouders besloot de tijdelijke aanstelling niet om te zetten in een vaste aanstelling of te verlengen. Dit besluit werd door de rechtbank Breda bevestigd, waarbij werd geoordeeld dat de uitzendperiode niet meetelt voor de toepassing van artikel 2:4 van Pro de CAR/BUWO en dat de Flexwet niet van toepassing is op ambtelijke rechtsverhoudingen.

Appellante voerde in hoger beroep aan dat de uitzendperiode wel mee moet tellen, waardoor een vaste aanstelling zou zijn ontstaan. De Centrale Raad van Beroep verwijst naar eerdere uitspraken waarin is vastgesteld dat het te ver voert om de uitzendperiode mee te tellen bij de toepassing van artikel 2:4 CAR Pro/BUWO. De Raad ziet geen reden om hiervan af te wijken en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Er wordt geen aanleiding gezien om appellante te veroordelen in de proceskosten. De uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans en uitgesproken op 1 mei 2014.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering om de tijdelijke aanstelling om te zetten in een vaste aanstelling wordt bevestigd.

Uitspraak

12/5658 AW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van
31 augustus 2012, 11/6079 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Breda (college)
Datum uitspraak: 1 mei 2014
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. C.A.M. Lemeer-Smeets hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2014. Appellante is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. Nanne en
C.I. Koffeman.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was vanaf begin 2008 op uitzendbasis werkzaam bij de gemeente Breda. Met ingang van 1 februari 2010 heeft het college appellante op grond van artikel 2:4, eerste lid, van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling / Bredase uitwerkingsovereenkomst (CAR/BUWO) in tijdelijke dienst aangesteld tot 1 februari 2012.
1.2. Op 26 juli 2011 heeft het college aan appellante laten weten dat haar tijdelijke aanstelling niet zal worden omgezet in een vaste aanstelling of zal worden verlengd. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 24 oktober 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe - kort samengevat - onder verwijzing naar de rechtspraak van de Raad overwogen dat de uitzendperiode niet meetelt voor de toepassing van artikel 2:4 van Pro de CAR/BUWO en dat de Flexwet niet van toepassing is op ambtelijke rechtsverhoudingen, zodat geen vaste aanstelling is ontstaan. De rechtbank heeft verder overwogen dat het beroep van appellante op het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel niet slaagt.
3.
Appellante heeft zich in hoger beroep beperkt tot de stelling dat de periode van uitzendwerk meetelt voor de toepassing van artikel 2:4 van Pro de CAR/BUWO, zodat een vaste aanstelling is ontstaan. Ter onderbouwing van die stelling heeft appellante aangevoerd dat zij niet uitsluit dat er door de op stapel staande veranderingen in het ambtenarenrecht een omslag komt in de rechtspraak over dit onderwerp.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In zijn uitspraken van 8 december 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BU9157), en
18 november 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:2389), heeft de Raad overwogen dat, in het geval waarin sprake is van werkzaamheden op basis van een uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 7:690 van Pro het Burgerlijk wetboek die voorafgaan aan de tijdelijke aanstelling, het te ver voert om de uitzendperiode mee te tellen voor de toepassing van een bepaling zoals
artikel 2:4 CAR Pro/BUWO. In wat appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding om hierover nu anders te oordelen.
4.2.
Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van
P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2014.
(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans
(getekend) P. Uijtdewillegen

HD