ECLI:NL:CRVB:2014:1674
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep tegen intrekking en terugvordering bijstandsuitkering
Appellante had bij het college van burgemeester en wethouders van Utrecht een bijstandsuitkering ontvangen die met ingang van 1 januari 2011 werd ingetrokken. Tevens werd een bedrag van €3.553,70 teruggevorderd voor de periode van 1 januari tot en met 31 mei 2011. Appellante stelde beroep in tegen dit besluit, maar het beroepschrift bevatte geen gronden van beroep. De rechtbank gaf haar een hersteltermijn om deze gronden alsnog in te dienen, maar appellante maakte geen gebruik van deze mogelijkheid binnen de gestelde termijn.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij de gronden wel binnen de hersteltermijn had ingediend, maar kon dit niet onderbouwen met een ontvangstbevestiging. Daarnaast stelde zij dat de rechtbank haar onterecht niet in de gelegenheid had gesteld zich uit te laten over het verzuim. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het ontbreken van gronden in het beroepschrift en het niet tijdig indienen binnen de hersteltermijn rechtvaardigt dat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.
De Raad overwoog dat de rechtbank in redelijkheid het beroep niet-ontvankelijk kon verklaren, mede omdat appellante niet had gereageerd binnen de hersteltermijn en geen uitstel had gevraagd. Bovendien had zij toestemming gegeven om de behandeling van het beroep ter zitting achterwege te laten. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden in het beroepschrift en de niet-tijdige indiening daarvan.