ECLI:NL:CRVB:2014:1943
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet-woonachtig zijn op uitkeringsadres
Appellant ontvangt sinds 2003 bijstand en huurt vanaf maart 2010 een woning die als uitkeringsadres geldt. Het college ontvangt een melding dat appellant niet op dat adres woont en laat een onderzoek uitvoeren door de sociale recherche. Dit onderzoek, inclusief waarnemingen, verbruikgegevens en een huisbezoek, concludeert dat appellant niet op het uitkeringsadres verbleef.
Op basis hiervan trekt het college de bijstand met terugwerkende kracht in en vordert de kosten terug. De rechtbank verklaart het bezwaar tegen deze besluiten ongegrond, waarbij het lage energie- en waterverbruik en de staat van de woning doorslaggevend zijn.
Appellant voert in hoger beroep aan dat hij wel op het adres sliep en wijst op een rapport over zijn zwak woordbegrip. De Raad oordeelt dat deze argumenten onvoldoende zijn om het oordeel van de rechtbank te weerleggen. De feitelijke woonsituatie is bepalend en de Raad bevestigt de eerdere uitspraak, wijzend het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de intrekking en terugvordering van bijstand wordt bevestigd.