ECLI:NL:CRVB:2014:2078
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand onterecht wegens ontbreken redelijke grond voor huisbezoek
Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college trok de bijstand in omdat appellante weigerde medewerking te verlenen aan een huisbezoek, bedoeld om te verifiëren of haar meerderjarige dochter feitelijk bij haar woonde.
De rechtbank oordeelde dat het huisbezoek gerechtvaardigd was en verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat er geen redelijke grond was voor het huisbezoek, dat minder belastende middelen beschikbaar waren en dat het huisbezoek niet noodzakelijk was omdat haar bijstand al was aangepast op het feit dat haar dochter bij haar woonde.
De Raad oordeelde dat het huisbezoek niet gerechtvaardigd was omdat het uitsluitend diende om het verblijf van de dochter te verifiëren, wat niet relevant was voor het recht op bijstand van appellante. Ook andere feiten, zoals bankafschriften, boden geen redelijke grond. Daarom kon appellante niet worden verweten dat zij niet meewerkte aan het huisbezoek.
De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank, verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en herroept het besluit tot intrekking van de bijstand. Het college wordt veroordeeld in de proceskosten en moet het betaalde griffierecht vergoeden.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand is onterecht wegens het ontbreken van een redelijke grond voor het huisbezoek; het besluit wordt herroepen.