ECLI:NL:CRVB:2014:2201
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding bij bijstandsintrekking
Appellante ontving sinds 2002 bijstand, die in 2012 werd ingetrokken wegens het ontvangen van een pensioenuitkering. Het college besloot tevens de bijstand vanaf 2006 te herzien en een terugvordering van €10.225,60 in te stellen omdat appellante het partnerpensioen niet had gemeld.
Appellante maakte pas in september 2012 bezwaar tegen het besluit van maart 2012, ruim na de wettelijke termijn van zes weken. Het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding, een beslissing die door de rechtbank werd bevestigd.
In hoger beroep stelde appellante dat zij onjuist was voorgelicht en dat zij daardoor niet tijdig bezwaar kon maken. De Raad oordeelde echter dat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij door onjuiste voorlichting was afgehouden van tijdig bezwaar maken. De Raad verwierp het beroep en bevestigde de eerdere uitspraak.
De uitspraak benadrukt het belang van tijdig bezwaar maken en dat een niet-ontvankelijkheid wegens termijnoverschrijding slechts kan worden doorbroken bij verschoonbaarheid, wat in deze zaak niet was aangetoond.
Uitkomst: Het bezwaar van appellante wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding en het hoger beroep wordt afgewezen.