ECLI:NL:CRVB:2014:2208
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Weigering bijstand wegens niet-woonachtig op opgegeven adres
Appellant vroeg bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en gaf daarbij een adres op waar hij zou wonen. Het college stelde een onderzoek in omdat het opgegeven adres een bedrijfspand betrof en appellant zich niet kon inschrijven in de gemeentelijke basisadministratie.
Tijdens het onderzoek bleek dat appellant slechts een kleine kamer gebruikte zonder matras en persoonlijke spullen. Appellant gaf tegenstrijdige verklaringen over zijn verblijf en het gebruik van het pand. Het college weigerde de bijstand op grond dat appellant niet woonachtig was op het opgegeven adres.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep. De Raad vond het college terecht uitgegaan van het onderzoeksrapport en achtte de stellingen van appellant onvoldoende om het besluit te vernietigen.
De verklaring van de verhuurder en de foto's van appellant werden niet aannemelijk geacht. Ook werd niet vastgesteld dat taalproblemen tot miscommunicatie hadden geleid. De Raad concludeerde dat appellant niet voldeed aan de vereisten voor bijstandverlening.
De uitspraak bevestigt de weigering van bijstand en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van bijstand omdat appellant niet woonachtig was op het opgegeven adres.