ECLI:NL:CRVB:2014:249
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- R. Kooper
- J.E.M. Polak
- Rechtspraak.nl
Ontslag wegens ongeschiktheid door ziekte met toepassing artikel 94 Barp
Appellant was sinds 1989 in dienst als administratief medewerker bij het Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie, met blijvende lichamelijke en geestelijke beperkingen die hem afhankelijk maakten van gestructureerde en repeterende werkzaamheden. Vanaf 2007 veranderde de werkwijze door automatisering en digitalisering, met name de invoering van het Procuro-systeem in 2010, waardoor appellant zijn functie niet meer naar behoren kon uitvoeren.
Het college verleende ontslag op grond van artikel 94 lid 1 sub g Barp Pro wegens onbekwaamheid anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de ongeschiktheid van appellant voortkomt uit zijn bekende en blijvende medische beperkingen, zodat ontslag op deze grond niet gerechtvaardigd is.
De Raad stelt vast dat aan de voorwaarden van artikel 94 lid 1 sub e Barp Pro is voldaan: appellant was al sinds 2007 ongeschikt wegens ziekte, herstel is niet te verwachten, en passend werk binnen of buiten de organisatie is niet beschikbaar ondanks inspanningen zoals detachering en begeleiding. Daarom vernietigt de Raad het eerdere besluit en legt het ontslag alsnog ten grondslag aan artikel 94 lid 1 sub e Barp Pro.
Daarnaast veroordeelt de Raad het college tot vergoeding van de proceskosten van appellant en het betaalde griffierecht. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 30 januari 2014.
Uitkomst: Het ontslag wordt gegrond verklaard op grond van artikel 94 lid 1 sub e Barp wegens ongeschiktheid door ziekte.