ECLI:NL:CRVB:2014:2751
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op WGA-uitkering en duurzaamheid arbeidsongeschiktheid Wet WIA
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV waarin haar recht op een WGA-uitkering werd vastgesteld met een arbeidsongeschiktheid van 100%, maar waarbij het bezwaar tegen dit besluit ongegrond werd verklaard. De rechtbank had de beslissing van het UWV bevestigd, stellende dat de herstelkansen van appellante niet konden worden uitgesloten op basis van het onderzoek van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar klachten en prognose voldeden aan de voorwaarden voor een IVA-uitkering en verzocht zij om benoeming van een deskundige, onderbouwd met medische informatie van een revalidatiearts. Het UWV verwees naar eerdere rapportages en rechtspraak waarin werd gesteld dat de inschatting van herstelkansen op het moment van beoordeling leidend is.
De Raad overwoog dat duurzame arbeidsongeschiktheid volgens de Wet WIA een medisch stabiele of verslechterende situatie inhoudt met een geringe kans op herstel. De Raad bevestigde dat de beoordeling van de bezwaarverzekeringsarts, gebaseerd op medische gegevens van diverse specialisten, een toereikende grondslag vormde voor de inschatting van de herstelkansen. Het feit dat latere behandelingen niet tot verbetering leidden, rechtvaardigt geen herziening van deze inschatting.
Appellante heeft geen nieuwe medische informatie overgelegd die relevant is voor de datum van beoordeling. De Raad concludeerde dat er geen aanleiding was voor benoeming van een deskundige en dat het hoger beroep ongegrond is. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.