ECLI:NL:CRVB:2014:2752
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens ontbreken toename arbeidsongeschiktheid
Appellante, die haar werk als tolk/vertaalster niet hervatte na zwangerschapsverlof vanwege psychische klachten, kreeg in 2004 een WAO-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Deze uitkering werd in 2005 ingetrokken omdat haar arbeidsongeschiktheid was afgenomen tot minder dan 15%, een besluit waartegen zij geen bezwaar maakte.
In 2011 vroeg appellante opnieuw een WAO-uitkering aan wegens vermeende verslechtering van haar gezondheid sinds 2007. Het UWV weigerde deze uitkering in december 2011, gebaseerd op een medische beoordeling waaruit bleek dat er geen aaneengesloten periode van vier weken was met toegenomen beperkingen na 1 januari 2009.
Na bezwaar en nadere medische beoordeling door een bezwaarverzekeringsarts bleef het oordeel dat er geen toename van arbeidsongeschiktheid was gehandhaafd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat zij binnen vijf jaar na intrekking opnieuw arbeidsongeschikt was geworden door dezelfde oorzaak.
De Raad concludeerde dat het UWV een zorgvuldig medisch onderzoek had verricht en dat de conclusie dat er geen toename was, stand hield. Medische gegevens van psychiaters en huisarts ondersteunden geen psychische decompensatie in de relevante periode. Appellante bracht geen gegevens aan die het oordeel konden weerleggen. Een arbeidskundig onderzoek was daarom niet nodig.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om een WAO-uitkering toe te kennen wegens het ontbreken van toegenomen arbeidsongeschiktheid.