Uitspraak
21 oktober 2009, 08/1979, 08/1980 en 08/5306 in het geding tussen betrokkene en het Uwv.
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene had meerdere procedures lopen tegen het UWV over de vaststelling van het maatmanloon en dagloon in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. De procedures duurden aanzienlijk langer dan de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. De Raad stelde vast dat de redelijke termijn in de rechterlijke fase was overschreden en heropende het onderzoek om een nadere uitspraak te doen over de schadevergoeding.
De Staat erkende de overschrijding en stelde een vergoeding van € 2.000 voor de langstlopende procedure, terwijl het UWV zich aansloot bij het oordeel van de Raad. Betrokkene stelde dat de overschrijding in een van de procedures langer was dan door de Staat aangegeven en dat de cumulatie van procedures extra spanning veroorzaakte, wat een hogere vergoeding rechtvaardigde.
De Raad oordeelde dat de overschrijding inderdaad had plaatsgevonden en dat de totale duur van de langstlopende procedure ruim drie jaar langer was dan de redelijke termijn. De overschrijding in de andere procedures werd als samenhangend beschouwd, waardoor geen extra vergoeding werd toegekend. De Raad verdeelde de aansprakelijkheid voor de overschrijding tussen de Staat en het UWV en veroordeelde hen tot betaling van respectievelijk € 2.000 en € 1.500 aan betrokkene.
Er werden geen proceskosten toegewezen. De uitspraak werd gedaan door rechter J.W. Schuttel namens de Centrale Raad van Beroep op 24 januari 2014.
Uitkomst: De Staat en het UWV worden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van respectievelijk € 2.000 en € 1.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn.