ECLI:NL:CRVB:2014:3019
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing kinderbijslagaanvraag wegens ontbreken geldige verblijfsvergunning
Appellante, geboren in 1984 en Georgische nationaliteit houdend, verbleef sinds 2000 in Nederland en vroeg kinderbijslag aan voor haar in Nederland geboren zoon. De Sociale Verzekeringsbank wees de aanvraag af omdat zij niet beschikte over een geldige verblijfsvergunning, een besluit dat door de rechtbank en vervolgens in hoger beroep werd bevestigd.
De kern van het geschil betrof de vraag of internationale verdragsbepalingen, waaronder het EVRM en het IVRK, een uitzondering konden vormen op het in artikel 6, tweede lid, van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) neergelegde koppelingsbeginsel. De Raad verwees naar eerdere jurisprudentie, waaronder een arrest van de Hoge Raad, waarin werd geoordeeld dat het onderscheid naar verblijfsstatus een legitiem doel dient en proportioneel is.
Hoewel de gemachtigde van appellante stelde dat het IVRK onvoldoende was meegewogen en een klacht had ingediend bij het VN-Mensenrechtencomité, zag de Raad geen reden om de procedure aan te houden. Er waren geen schrijnende omstandigheden die het koppelingsbeginsel buiten toepassing zouden moeten laten.
De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak dat appellante geen recht heeft op kinderbijslag over de periode van het derde kwartaal 2010 tot en met het derde kwartaal 2011. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de kinderbijslagaanvraag wegens het ontbreken van een geldige verblijfsvergunning.