ECLI:NL:CRVB:2014:3596
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- M. Hillen
- B.J. van der Net
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit woonkostentoeslag voor beperkte periode volgens vaste gedragslijn
Appellante vroeg bijzondere bijstand aan in de vorm van een woonkostentoeslag omdat zij niet langer pleegkostenvergoeding ontving voor de verzorging van haar kleinkind en haar besteedbaar inkomen na aftrek van woonlasten te laag was. Het college kende de toeslag toe voor de periode van één jaar en stelde als voorwaarde dat appellante inspanningen moest verrichten om haar woonlasten anders te betalen.
Het bezwaar van appellante tegen de beperkte duur van de toeslag werd door het college ongegrond verklaard, met als motief dat de WWB als laatste vangnet fungeert en het niet de bedoeling is dat door de toeslag vermogen wordt opgebouwd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellante dat het college gebonden was aan een ander beleid zoals vermeld in een brochure, en dat haar persoonlijke situatie – de langdurige zorg voor haar kleinkind – een uitzondering rechtvaardigde. De Raad oordeelde echter dat de vaste gedragslijn van het college niet onredelijk is en dat woonlasten als periodieke noodzakelijke kosten behoren te worden bestreden uit het inkomen.
De Raad vond dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat haar situatie zo bijzonder was dat het college niet in redelijkheid aan de vaste gedragslijn had kunnen vasthouden. Ook het argument dat zij haar meerderjarige kleinkind grotendeels onderhoudt, rechtvaardigde geen afwijking. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het college de woonkostentoeslag voor maximaal één jaar mocht toekennen volgens de vaste gedragslijn.