ECLI:NL:CRVB:2014:3651

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 oktober 2014
Publicatiedatum
10 november 2014
Zaaknummer
13-2683 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • D.J. van der Vos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV waarin werd vastgesteld dat zij per 29 maart 2012 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daardoor geen recht had op een WIA-uitkering. Het UWV verklaarde het bezwaar ongegrond na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellante eveneens ongegrond, waarbij zij oordeelde dat de medische en arbeidskundige onderbouwing voldoende was.

In hoger beroep voerde appellante aan dat de rechtbank ten onrechte haar beperkingen onvoldoende had meegewogen, waaronder hevige pijn, chronische vermoeidheid en duizeligheid, en dat zij niet in staat was haar revalidatiebehandeling te volgen. Tevens stelde zij dat een onafhankelijke deskundige benoemd had moeten worden voor nader medisch onderzoek. Ter onderbouwing overhandigde zij verklaringen van haar huisarts en een neurologische poli.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank de beroepsgronden juist en voldoende gemotiveerd had beoordeeld en dat de aanvullende medische informatie niet relevant was voor de situatie per datum van het besluit. Er was daarom geen aanleiding voor nader medisch onderzoek. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.

Uitspraak

13/2683 WIA
Datum uitspraak: 17 oktober 2014
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
9 april 2013, 12/3451 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. R.A. van Heijningen hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend onder bijvoeging van een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
Bij brief van 25 augustus 2014 zijn namens appellante nadere medische verklaringen overgelegd, waarop door deze verzekeringsarts is gereageerd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Voor het Uwv is verschenen
mr. drs. F.A. Steeman.

OVERWEGINGEN

1. Bij beslissing op bezwaar van 14 juni 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 27 maart 2012 ongegrond verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante per 29 maart 2012 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, op de grond dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 35% is. Het bestreden besluit berust op verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige onderzoeken.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank - kort
samengevat - overwogen dat zowel de medische als de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit voldoende deugdelijk is.
3. In hoger beroep heeft appellante gelijke gronden aangevoerd als zij in eerste aanleg heeft gedaan. Daarnaast heeft zij gesteld dat de rechtbank ten onrechte geoordeeld heeft dat de voor haar geldende beperkingen voor het verrichten van arbeid op juiste wijze zijn weergegeven in de Functionele Mogelijkhedenlijst. Er zijn meer beperkingen ten gevolge van hevige pijnen, chronische vermoeidheid en duizeligheid. Ten gevolge van haar klachten is zij niet meer in staat haar revalidatiebehandeling van drie dagen per week te volgen. Appellante stelt ten slotte dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien een onafhankelijke deskundige te benoemen voor een nader medisch onderzoek. Ter onderbouwing van haar stellingen heeft appellante gewezen op de verklaring van haar huisarts van 20 februari 2014 en van de Poli Neurologie van 17 juni 2014.
4.1.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.2.
De rechtbank heeft de beroepsgronden, die nagenoeg overeenkomen met de gronden in hoger, op juiste wijze in de aangevallen uitspraak weergegeven. De rechtbank heeft deze gronden beoordeeld en afdoende gemotiveerd waarom deze niet slagen. De rechtbank heeft daaromtrent een juist oordeel gegeven.
4.3.
Hetgeen in hoger beroep nog is aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden, reeds omdat de in hoger beroep overgelegde informatie geen betrekking heeft op de gezondheidssituatie van appellante per datum in geding. Er is dan ook geen grond om een medisch deskundige te raadplegen.
4.4.
Gelet op hetgeen is overwogen in 4.2 en 4.3 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2014.
(getekend) D.J. van der Vos
(getekend) J.R. van Ravenstein

QH