ECLI:NL:CRVB:2014:3652
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WGA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant maakte bezwaar tegen de intrekking van zijn WGA-uitkering door het UWV, omdat zijn arbeidsongeschiktheid was gedaald tot minder dan 35%. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de medische beperkingen van appellant juist waren vastgesteld op basis van verzekeringsgeneeskundig onderzoek, inclusief huisartsgegevens. De rechtbank vond geen aanwijzingen voor een onzorgvuldige beoordeling en achtte de persoonlijke klachten onvoldoende voor meer beperkingen.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij niet in staat was hele dagen te werken en verwees naar WSW-indicaties uit 2012 en 2013. De Centrale Raad van Beroep onderschreef echter het oordeel van de rechtbank en stelde vast dat appellant geen objectieve medische gegevens had overgelegd die een hogere mate van arbeidsongeschiktheid aannemelijk maakten. Daarnaast kon de WSW-indicatie van januari 2013 niet worden meegewogen omdat deze niet was overgelegd.
De Raad bevestigde ook dat appellant geen bezwaar had gemaakt tegen de arbeidskundige beoordeling van de geschiktheid voor andere functies. Daarom werd het hoger beroep verworpen en de intrekking van de uitkering gehandhaafd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de WGA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.