ECLI:NL:CRVB:2014:3756
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid per 20 september 2012
Appellant heeft zijn werkzaamheden op 26 september 2010 gestaakt vanwege rugklachten en onderging op 25 oktober 2010 een spoed heupartroplastiek. In februari 2013 kreeg hij een WIA-uitkering toegekend. Het UWV stelde echter bij besluit van 30 juli 2012 vast dat appellant per 20 september 2012 minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor geen recht op WIA-uitkering ontstond. Het bezwaar van appellant werd ongegrond verklaard en de rechtbank bevestigde dit bij uitspraak van 13 maart 2013.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn rugklachten en chronisch pijnsyndroom ernstiger waren dan erkend, waardoor hij de door het UWV genoemde functies niet kon verrichten. De Raad oordeelde dat de gronden van appellant voornamelijk herhalingen waren van eerdere bezwaren die door de rechtbank terecht waren verworpen. De Raad hechtte beslissende waarde aan het rapport van de verzekeringsarts van 25 september 2012, waarin ook gegevens van de behandelende sector waren betrokken.
De Raad concludeerde dat de medische beperkingen zoals vastgesteld in de functionele mogelijkhedenlijst van 26 juni 2012 juist waren en dat de functies passend waren. De toekenning van een rolstoelvoorziening in 2013 veranderde hier niets aan omdat deze niet betrekking had op de situatie per 20 september 2012. Daarom werd het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank bevestigd en geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Geen recht op WIA-uitkering per 20 september 2012 wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.