ECLI:NL:CRVB:2014:3757
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV waarin werd vastgesteld dat hij geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA), omdat hij met ingang van 27 september 2012 minder dan 35% arbeidsongeschikt is. De rechtbank Noord-Nederland verklaarde het beroep ongegrond, waarbij zij oordeelde dat de medische beperkingen zoals opgenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) correct waren vastgesteld en dat appellant de geduide functies kon verrichten.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij als gevolg van been- en armklachten meer beperkt is en dat de geduide functies medisch gezien niet geschikt voor hem zijn. Hij kondigde aan dit met nadere medische stukken te onderbouwen, maar heeft deze niet ingebracht. Het UWV heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat de gronden van appellant in hoger beroep een herhaling waren van eerdere gronden die door de rechtbank terecht waren verworpen. De medische gegevens en rapporten van verzekeringsartsen, die ook informatie van behandelend artsen bevatten, ondersteunen het oordeel dat appellant niet meer beperkt was dan vastgesteld. De arbeidsdeskundige rapportage toonde aan dat de belasting van de geduide functies de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt.
Gelet op deze overwegingen slaagt het hoger beroep niet en wordt de aangevallen uitspraak bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de WIA-uitkering bevestigd.