ECLI:NL:CRVB:2014:3785

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 november 2014
Publicatiedatum
18 november 2014
Zaaknummer
13-3532 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.F. Bandringa
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang en proceskostenveroordeling

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant inzake een sociaal zekerheidsrechtelijk geschil met het college van burgemeester en wethouders van Waalre.

Het college heeft op 11 juli 2014 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen die het oorspronkelijke bezwaar van appellante geheel tegemoetkomt. Hierdoor bestaat er geen inhoudelijk geschil meer tussen partijen dat door de Raad beslecht moet worden.

De Raad verklaart het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. Daarnaast veroordeelt de Raad het college op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in de proceskosten die appellante redelijkerwijs heeft moeten maken in beroep en hoger beroep.

De proceskosten worden begroot op €974,- voor beroep en €974,- voor hoger beroep, tezamen €1.948,-. Tevens wordt het door appellante betaalde griffierecht van in totaal €160,- vergoed.

De uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in aanwezigheid van griffier E.R. Flore, en uitgesproken in het openbaar op 18 november 2014.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het college wordt veroordeeld in de proceskosten van appellante.

Uitspraak

Datum uitspraak: 18 november 2014
13/3532 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 28 mei 2013, 13/474 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Waalre (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. van de Wiel, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft op 11 juli 2014 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.
Bij brief van 10 september 2014 is namens appellante verzocht het college te veroordelen in de proceskosten in beroep en hoger beroep.
Met toestemming van partijen is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Met de nieuwe beslissing op bezwaar van 11 juli 2014 heeft het college opnieuw op het bezwaar van appellante beslist. De gemachtigde van appellante heeft de Raad bericht dat de nieuwe beslissing op bezwaar geheel tegemoet komt aan het oorspronkelijke bezwaar en dat appellante alleen nog aanspraak maakt op vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand in beroep en hoger beroep.
Nu er tussen partijen geen door de Raad te beslechten inhoudelijk geschil meer bestaat, moet het hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.
De Raad ziet aanleiding om op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht het college te veroordelen in de proceskosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 974,- in beroep en € 974,- in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.948,-;
bepaalt dat het college het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 160,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van E.R. Flore als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 november 2014.
(getekend) J.F. Bandringa
(getekend) E.R. Flore

HD