ECLI:NL:CRVB:2014:3792
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- M. Hillen
- G.M.G. Hink
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugvordering bijstand wegens pleegzorg en norm alleenstaande ouder
Appellante ontving bijstand op grond van de norm voor een alleenstaande ouder, maar haar minderjarige zoon was gedurende de te beoordelen periode in een pleeggezin geplaatst. Het college herzag daarom de bijstand en verleende bijstand naar de norm voor een alleenstaande, met terugvordering van teveel betaalde bijstand.
De voorzieningenrechter verklaarde de beroepen tegen deze besluiten ongegrond. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij nog steeds de volledige zorg had omdat zij meer dan de helft van de kosten voor haar zoon droeg, en dat haar bijstand hoger vastgesteld moest worden vanwege bijzondere omstandigheden. Ook stelde zij dat er dringende redenen waren om terugvordering te voorkomen.
De Raad oordeelde dat de feitelijke zorg aan de pleegouders was overgedragen en dat het dragen van kosten niet gelijkstaat aan volledige zorg in de zin van de WWB. De omstandigheden waren niet bijzonder genoeg om een hogere norm toe te kennen. Dringende redenen voor het afzien van terugvordering werden niet vastgesteld, mede omdat financiële gevolgen pas bij daadwerkelijke invordering spelen en beschermingsregels gelden. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van bijstand bevestigd omdat appellante niet de volledige zorg voor haar zoon had.