Uitspraak
OVERWEGINGEN
28 april 2011 vast dat voor appellante met ingang van 3 mei 2011 geen recht was ontstaan op een WIA-uitkering.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante, werkzaam als schoonmaakster, meldde zich ziek met onder meer heupklachten en spanningsklachten. Na onderzoek door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige stelde het UWV vast dat zij geen recht had op een WIA-uitkering vanwege beperkte loonverliespercentages. Tijdens de bezwaarprocedure vond een hoorzitting plaats die voortijdig werd afgebroken, waarna telefonisch contact volgde.
De rechtbank oordeelde dat appellante niet in haar belangen was geschaad door de wijze van uitvoering van de hoorplicht en onderschreef de medische en arbeidskundige grondslag van het besluit. In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen waren onderschat en dat het UWV de hoorplicht had geschonden door geen tweede hoorzitting te houden.
De Raad volgde de rechtbank en concludeerde dat appellante niet in haar belangen was geschaad. De medische en arbeidskundige beoordelingen waren zorgvuldig en voldoende onderbouwd, waarbij ook aanvullende klachten waren meegenomen. Er waren geen nieuwe medische gegevens die een andere beoordeling rechtvaardigden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond verklaard en weigering WIA-uitkering bevestigd.